Alle roetmoppen op een rij

a alle ophef over Zwarte Piet kon de vraag niet uitblijven: sinds wanneer kennen wij het woord roetmop en waar komt het vandaan?

Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) heeft roetmop drie betekenissen.

De eerste is ‘mop, klodder, kluit roet’. De tweede: ‘scheldnaam voor iemand die er zwart en vuil uitziet, b.v. voor een schoorsteenveger of voor een vuil en smerig persoon’.

En de derde betekenis is: ‘In Ned. O.-Indië als scheldnaam voor een kleurling: een zwartje, een koffieboontje, een blauwe.’

Voor de goede orde: aan het WNT, het 40-delige wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands, is ruim 130 jaar gewerkt. Het artikel roetmop dateert van 1918.

Nu zou geen woordenboekenmaker het meer in zijn of haar hoofd halen om in een definitie een woord als zwartje te gebruiken.

In de eerste betekenis (‘klodder roet’) heb ik roetmop nergens aangetroffen. Juist lijkt wel dat roetmop aanvankelijk vooral in Nederlands-Indië werd gebruikt, als scheldwoord voor kleurling.

Ik vond het in 1871 voor het eerst, in een verhaal getiteld Het leven van den militair in Oost-Indië in het tijdschrift Het Leeskabinet.

Het wordt hier, enigszins heimelijk, gebruikt als scheldwoord voor twee Indische vrouwen met Nederlandse namen („Hij noemde Jaantje en Leentje immers roetmoppen.”)

Ook de bron erna, De locomotief, Samarangsch handels- en advertentie-blad van 1884, bevestigt dat het woord onder Nederlanders in Indië werd gebruikt. Het werd indertijd duidelijk als een plat woord ervaren. „Baboe’s die in sarong en badjoe geen kwaad figuur maken”, schrijft de krant, „zien er eenvoudig afschuwelijk en bespottelijk uit als zij de kleêren van mevrouw moeten afdragen [...]. De toiletjes mogen eenmaal als ware kunststukken afgeleverd zijn door Worth of mme Cavally, zij kleeden geen inlandsche schoone, in de zoetklinkende taal des gemeenen Nederlandschen levens meer bekend als zwarte roetmop.”

Aan het eind van de 19de eeuw maakte roetmop de oversteek naar Nederland. Werd het in Nederlands-Indië in de eerste plaats gebruikt als scheldwoord voor ‘inlander’, in Nederland ook voor ‘zwarte, neger’.

Justus van Maurik, een groot kenner van het plat-Amsterdams, gebruikte het in 1886, maar erg bekend bleek het toen nog niet te zijn. „De roetmop, Markus? Weten de heeren niet wat dat is? Zoo noemen wij menschen een neger. Ze hebben allemaal van die mopneuzen, weet u! En dan zoo zwart als roet.”

Is Zwarte Piet – ja, daar is-tie weer! – weleens roetmop genoemd? Zeker, en al vroeg in zijn bestaan.

Al in 1897, toen Sinterklaas nog niet als vanzelfsprekend door een zwarte knecht werd vergezeld, schreef Justus van Maurik in een verhaal over een Sinterklaasviering aan boord van een schip: „Een paar minuten later treedt Sint Nicolaas, gevolgd door zijn zwarten knecht, het salon binnen. Deftig begroet hij al de aanwezigen meteen: Dames en Heeren! ik ben Sinterklaas en ik kom jelui erreisies opzoeken en dat is m’n zwarte jongen, die – maak je buiging roetmop – de cadeautjes brengt.”

De knecht was in dit geval trouwens een blank koksmaatje; zijn gezicht was zwart gemaakt met inkt omdat gebrande kurk niet het gewenste effect opleverde.

Taalhistoricus Ewoud Sanders schrijft wekelijks op deze plek over taal.