Monster

Taal voor gelovigen: tijdens de persconferentie die Marine Le Pen en Geert Wilders gaven om hun samenwerking in Europees verband aan te kondigen, sprak de laatste van een „historische dag”. Een nieuwe dagenraad naakte: „De bevrijding van de elite van Europa begint vandaag. De bevrijding van het monster uit Europa.” Le Pen zag de samenwerking als een nieuw verbond van „patriotten”.

Ook het racisme beleeft een nostalgische terugval naar de negentiende eeuw

Historisch, bevrijding, monster, patriotten, soevereiniteit – de taal van de romantiek zindert door postmodern ultrarechts. We zijn terug in de vroege negentiende eeuw. Tegenover de kleurloze beleidstaal en onmachtige peptalk van het politieke establishment (mensen willen helemaal geen politicus met een visie! Koop een nieuwe auto!) ronkt de uitzinnige retoriek van de revolte. Brave mensen met brave levens zien zichzelf plotseling zwaaien met de geuzenvlag. De aantrekkingskracht is enorm: afgelopen week probeerde het immer ambitieuze VVD-Kamerlid Mark Verheijen mee te liften door „eurofielen” gevaarlijker te noemen dan politici als Le Pen. Hij werd meteen gedwongen excuses te maken – weg heldhaftigheid. De ontspoorde blogger Joost Niemöller verklaarde op de site van de Volkskrant dat hij tranen in zijn ogen kreeg wanneer hij Le Pen hoorde spreken. De ontmoeting van zijn held Wilders met Le Pen was, u raadt het, „een historisch moment”.

De vlag. Het volk. Het vaderland.

Ook het racisme beleeft een nostalgische terugval naar de negentiende eeuw. De reactie tegen het politieke correcte denken kwam voort uit het vaak terechte gevoel dat de dingen niet bij de naam genoemd konden worden – nu het politieke correcte denken is afgeschaft, worden zwarte ministers gewoon weer met apen vergeleken – door politici van Lega Nord en de partij van Marine Le Pen. Wat zich voorheen vooral ophield in de emotionele enclave van het voetbalstadion, begint ook politiek weer aantrekkelijk te worden. De zwartepietendiscussie in ons land zijn in de sociale media ontaard in een orgie van haat.

Toen het nieuwe populisme meer dan tien jaar geleden – het begon in Oostenrijk – de kop opstak, was de eerste, simplistische reactie in de omringende landen: de bruinhemden marcheren weer. Later moest men onder ogen zien dat het juist om een modern fenomeen ging, veroorzaakt door globalisering en de bijbehorende effecten van immigratie. Cultuur, geschiedenis, volk – in de ogen van de wegbereiders van een verenigde mensheid waren dat allemaal gevaarlijke, maar gelukkig gepasseerde stations. Die ouderwetse begrippen zijn in de mediacultuur (van Trots op Nederland naar Ik hou van Holland) niet alleen weer springlevend – ze hebben ook een groot deel van het gevoelsleven van de natie geannexeerd. Na zeven seizoenen Boer zoekt vrouw moet je niet verbaasd zijn als een halve bevolking mental wordt over een bedreigde Zwarte Piet.

Dat is het probleem: de zorg voor de multiculturele, pluriforme samenleving is sinds jaar en dag in handen van beleidsmakers en onthechte academici, terwijl ondertussen in de populaire cultuur het sentiment van de herwonnen eigenheid kon opbloeien.

Het zijn gescheiden werelden en de kloof ertussenin wordt steeds groter. Uit de commentaren rijst het beeld op van rustige, redelijke mensen aan de ene, en woedende, totaal onredelijke mensen aan de andere kant, die bovendien met vuur spelen. Zo kun je het zien, maar dan moet je wel tegelijk vaststellen dat de gedreven- en bevlogenheid, de emotie zeg maar, toch vrijwel helemaal aan de kant van de opstandigen zit. Wilders is de enige politicus in wie veel van zijn kiezers geloven. De taal van de bedachtzaamheid is ook vaak bloedeloos.

Minister Asscher reageerde vrijdag ook bedachtzaam toen hij gevraagd werd naar de samenwerking van Wilders met Le Pen. Wilders was vrij om te doen wat hij wilde, zei de minister, maar het gaf te denken dat hij zich inliet met een partij waarvan de voormalige leider – etcetera. Dat is de strategie, in een bijzin suggereren dat Wilders inderdaad hard op weg is om, in zijn eigen woorden, een „halve nazi” te worden, zonder er de afgetrapte antifascistische retoriek op los te laten – zonder, zeg maar, met het dagboek van Anne Frank te zwaaien.

De vraag is of dat genoeg is. Wilders en zijn PVV hebben hun eigen problemen en ongetwijfeld hoopt men dat zijn electoraat op een dag van zijn geloof valt. Maar je zou willen dat een politicus als Asscher inziet dat er meer nodig is. Wil je het ideaal van een pluriforme, op de wereld gerichte samenleving nieuw leven inblazen, dan moet je allereerst de emotie terugwinnen.