Neem de maatschappelijke vraag niet als richtsnoer voor wetenschap

Het artikel Rebellen staan op tegen de dolgedraaide wetenschap (NRC Handelsblad, 2 november) geeft een treffende diagnose van wat er in de laatste decennia is misgegaan in de wetenschap. Inderdaad, publicatiedruk, tellen van aantallen artikelen als belangrijkste kwaliteitscriterium, de h-index, impactfactor, etc. Verschrikkelijk.

De remedie, meer maatschappelijke betrokkenheid van de wetenschap, voert, naar mijn stellige overtuiging, van de de regen in de drup. Deze suggestie berust op een verkeerd begrip van wat de essentie van wetenschap is, zoals die zich op basis van eerdere activiteiten van Babyloniërs, Grieken en Arabieren, vanaf de Renaissance in West-Europa heeft ontwikkeld en onze wereld ingrijpend heeft veranderd. De belangrijkste drijfveer van wetenschapsbeoefening, in het verleden en nu nog steeds, is nieuwsgierigheid, naar hoe de wereld in elkaar zit (natuur- en sterrekunde), naar wat er in het verleden is gebeurd (geschiedschrijving), naar hoe we denken (filosofie, psychologie). Wetenschap die beoefend is door individuen, zeer zelden door groepen. Wetenschap is een onderdeel van onze cultuur en moet als zodanig worden gewaardeerd en bevorderd. Indertijd hadden we het ministerie van OKW (Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen). Dat was het juiste perspectief.

Zeker, er valt veel positiefs te zeggen over het nut van resultaten van de wetenschap voor de samenleving. Daarbij kan worden opgemerkt dat veel belangrijke toepassingen van de wetenschap het resultaat zijn van werk dat volstrekt niet op die toepassingen was gericht. Een voorbeeld is het onderzoek naar grote priemgetallen in de getaltheorie, een gebied van de zuivere wiskunde. Dat werk heeft toepassing gevonden in de cryptografie; banken maken er gebruik van om hun communicatie te versleutelen.

Maar de maatschappelijke vraag als algemene richtsnoer voor de wetenschap? Galileo, die aan de basis stond van onze kennis van de kosmos, had zich dan bezig moeten houden met het maken van horoscopen, wat hij zeker had gekund, en waar een grote maatschappelijke vraag naar was.

Over de rol van het onderwijs aan de universiteit is ook wel het een en ander te zeggen. Een zeer belangrijke maatschappelijke taak. Maar mijn eigen ervaring is dat men binnen de universiteit de mond vol heeft van het belang van onderwijs naast onderzoek, maar dat in de praktijk, bij benoemingen en bevorderingen; de didactische kwaliteiten van een kandidaat nauwelijks een rol spelen. Nee, het gaat vooral om aantallen gepubliceerde artikelen en, meer recentelijk, om het vermogen van de kandidaat om subsidiegeld ‘binnen te halen’.

dr. P.J.M. Bongaarts