Na de tyfoon winnen politici zieltjes met rijst

Te midden van de verwoesting probeert de bevolking van de Filippijnen voorzichtig de draad weer op te pakken. Verjaardagen worden gevierd, kerstpakketten verkocht. Een week na de ramp maakt correspondent Melle Garschagen de balans op. „Schrijf in uw stuk dat de familie Arojo ongedeerd is”.

Foto Reuters

Terwijl buiten op Aviles Street duizend mensen uren in de rij dringen om een jerrycan benzine te krijgen, roept de vrouwenstem in supermarkt Robinsons klanten op geen tijd te verspillen en hun kerstpakketten snel te bestellen. „That way you can enjoy a merry holiday season”, klinkt het vrolijk.

Even later vertelt de vrouwenstem dat mayonaise in de aanbieding is. Weinig klanten horen het. Het is het begin van de middag en Robinsons staat op punt van sluiten. De politie, in camouflagepakken en met geweren, kan maar een paar uur per dag de orde handhaven.

Een week nadat supertyfoon Yolanda over de Filippijnen trok, heb ik geen idee wat de feiten zijn. Hoe dichter ik op de ellende, verwoesting, hoop en zelfredzaamheid van de slachtoffers zit, hoe minder ik snap. Hoe kan een supermarkt mayonaise verkopen als buiten mensen de straten afstruinen op zoek naar eten?

Op zondagavond op de elfde verdieping van een luxe hotel in Manila was ik ver verwijderd van het rampgebied, maar wist ik precies wat er speelde, dacht ik. De Engelstalige persbureaus meldden dat de overheid winkeliers verbood prijzen op te schroeven om te verdienen aan de ramp. Een Filippijnse nieuwszender schokte door een item uit te zenden over berovingen en plunderingen in de getroffen steden. CNN bleef, op gezag van een stadsbestuurder, herhalen dat er in Tacloban vermoedelijk tienduizend mensen om het leven waren gekomen.

Het was dat bericht dat ervoor zorgde dat journalisten wereldwijd vluchten boekten, dat vrijwilligers van hulporganisaties hun fluorescerende hesjes uit de kast pakten en dat liefdadigheidsrekeningen werden geopend. Het enige probleem is dat deze vorm van dodentaljournalistiek nergens op gebaseerd is. Niemand weet hoeveel doden er zijn gevallen, ook stadsbestuurders niet.

Op het eiland Leyte staat geen boom helemaal recht, is geen dak helemaal gaaf en is geen inwoner helemaal ongeschonden. Aanschouw het landschap van kronkelende kabels, brokkelend puin en verwrongen staal en je snapt de behoefte van iedereen aan overzicht.

In haar kantoor op het stadhuis van Palo, een voorstad van Tacloban, probeert burgemeester Remedios Petilla orde te scheppen op een whiteboard. Met rode markeerstift heeft ze de ellende van haar gemeente uitgedrukt in getallen. Getroffen families: 100 procent. Gewonden: 4.205. Doden: 813. Vermisten: 23. Petilla: „De cijfers hebben wij nodig. We wisten snel dat er een massagraf moest komen. Er is geen tijd om mensen één voor één te begraven. Maar ik weet nu al dat het aantal vermisten niet klopt.”

Ondanks de chaos draagt Petilla een gestreken witte polo. Haar halflange haar heeft ze in een keurige krul gekamd. Petilla: „Misschien zijn er 80 mensen vermist, misschien 120, misschien meer. Telefoons doen het niet. Er is veel puin. Wegen zijn geblokkeerd. Hoe moeten wij precies weten wie er niet meer is? Dat is ondoenlijk.”

Ik reis met een paar Nederlandse journalisten. Op dinsdag tegen zonsondergang besluiten we van Tacloban terug te rijden naar Ormoc. Twee Franse radiojournalisten die meereizen, stappen uit. De avond tevoren hadden we een deal gesloten. Zij hadden een kamer te pakken in het Pongos Hotel, een van de weinige hotels die overeind zijn gebleven. Het heeft een krachtig noodaggregaat. Wij hebben een auto. In ruil voor plek op de kamer, rijden zij mee.

Maar de twee willen niet terug van het verwoeste Tablocan naar het beschadigde Ormoc. Zij willen naar Samar, het volgende eiland waar op sommige plekken nog geen hulpverlener is geweest, in de hoop de overtreffende trap van verwoesting aan te treffen.

Het busje hobbelt door Tacloban. Wij zoeken een geschikte plek om de twee Fransen af te zetten. Deuren hangen uit sponningen. Mensen buigen zich over houtvuurtjes om een klein beetje rijst te koken. Setbouwers uit Hollywood zou het niet lukken een beter postapocalyptisch decor te bouwen. „Op Samar schijnt de verwoesting echt enorm te zijn”, zegt de Franse radioverslaggever.

Wij rijden terug naar Pongos Hotel, onze uitvalsbasis. Bij regenbuien sijpelt bruin water langs de muren naar beneden. Kakkerlakken zo groot als veldmuizen schieten door de kamer. Toch is het bijna thuiskomen in Cattleya, de vergaderzaal waar onze bedden provisorisch opgesteld staan.

Pongos Hotel is de dagen na Yolanda een baken geworden. Inwoners van Ormoc kunnen er gratis hun mobiele telefoon opladen. Ontheemden bivakkeren in het restaurant en laven zich aan noedels en gefrituurde kip. De feestzaal doet dienst als distributiecentrum voor voedsel. En als mediacentrum: verslaggevers uit Frankrijk, Nederland en Zuid-Korea zijn er druk met stukjes schrijven, journaalitems monteren en radioreportages inspreken.

Te midden van de drukte blijft Virgi Esbina rustig. Pongos Hotel is van haar en haar familie. Hoe het haar lukt haar gasten te trakteren op gebraden speenvarken, gegrilde vis, gebakken oesters en een stukje chocoladetaart blijft vaag. „Wij hadden een verjaardag te vieren in de familie”, zegt Esbina. En haar zoon is generaal in het Filippijnse leger.

Journalist is meer dan waarnemer

Twee dagen na het feestmaal schuift Esbina tijdens het ontbijt bijna onopgemerkt aan. Ze huilt. Nu heb ik de afgelopen dagen marinecommandanten, priesters en moeders zien huilen, maar van Esbina had ik het niet verwacht.

„De lokale overheid beschuldigt ons ervan prijzen omhoog te hebben gegooid en te profiteren van deze ramp”, zegt ze. Dieper kun je haar niet beledigen. „We moeten inderdaad hogere tarieven rekenen omdat we honderden liters benzine nodig hebben voor het noodaggregaat. Dat is duur om over te laten komen.”

In Ormoc zegt men dat de familie van Esbina een van de machtigste is in de stad. Strijd met de heersende politici is dan niet vreemd. Yolanda mag duizenden levens hebben geëist en steden in puin hebben gelegd, politiek verdwijnt niet. Vrachtwagens versierd met spandoeken met de beeltenis van Filippijnse politici racen door de straten van Tacloban. Zakken rijst uitdelen is zieltjes winnen, ook als de zieltjes met pleisters en bandages rondlopen.

Wilde geruchten doen de ronde over aanvallen van het New People’s Army, een marxistische rebellenbeweging. Zij zouden voedseldepots van de overheid willen aanvallen om het eten aan de bevolking uit te delen. Zo zouden de rebellen machtig worden en de regering te kijk zetten. Zelfs een supertyfoon dient strategische en politieke belangen.

Soms ben je als journalist meer dan een waarnemer. Shella Esperas is aan het vertellen hoe ze zichzelf en haar familie heeft gered door in te breken in het grote huis van haar rijke buurman als ze me ineens vastklampt. „Mijn broer woont in Brussel. Hij heet Joseph Rey Cernal. Bel hem en vraag hem om hulp”, zegt ze. Ze is niet de enige. „Schrijf in uw stuk dat de familie Arojo ongedeerd is. Kunt u dat naar mijn neef in Toronto sturen”, zegt een man op straat. „Laat in Singapore weten dat het gezin Elias alleen lichte verwondingen heeft. We hebben hulp nodig. Geef ons hoop”, zegt een ander. De Filippijnen is een emigratieland en als telefoonverbindingen het niet doen is een buitenlandse journalist een manier om de diaspora te bereiken.

De mensen op Leyte die niet het geld hebben om te vluchten, zitten vast. Eerst waren ze murw geslagen, geschokt door wat er gebeurd is. Heel voorzichtig hervatten ze een routine. Ze wassen zich met zeep en een klein emmertje aan een open waterleiding, deels om ziektes te voorkomen, deels om in de chaos enig zelfrespect te behouden. Kinderen spelen weer met speelgoedgeweertjes, weliswaar tussen ruïnes van huizen. De laatste bananen en rijst worden geoogst, de speenvarkens die de storm hebben overleefd geslacht. Maar daarna is het klaar.

Een varken kan je maar één keer eten. De volgende oogst laat op zich wachten. Een huis bouwen is moeilijk als het gereedschap verwoest is. Yolanda is uitgeraasd, maar de ramp is nog niet voorbij.