Muizen horen gevaar niet met hun oren maar met heel hun lijf

Geluid dicht bij de grond is anders dan geluid in de vrije ruimte. Geluid ‘kleeft’ aan het oppervlak en spreidt zich erover uit als een plas gemorste melk, schrijft Michael Stocker in zijn boek Hear where we are.

De geluidswereld van muizen, padden en andere op de grond kruipende dieren is daarom fundamenteel anders dan die van ons. Voor een muizenoor arriveren het brongeluid en de reflectie ervan vrijwel tegelijk, waardoor het volume verdubbelt.

Onderzoekers hebben volgens Stocker het gehoor van muizen en andere bodembewoners enorm onderschat door de dieren te testen in een kunstmatige omgeving: een kooi met speakers op oorhoogte. Niemand echter die op het idee kwam dat de vloer van de kooi essentieel is. Zonder vaste grond onder de voeten horen kleine bodemdieren letterlijk minder, betoogt Stocker.

Uit de akoestische tests bleek dat knaagdieren relatief slecht lage tonen kunnen horen. Ja, met hun oren wel, schrijft Stocker, maar de lage tonen in hun omgeving vangen deze dieren meestal op vanuit trillingen in de grond, die zij waarnemen met hun pootjes, buik en staart. Juist die lage tonen waarschuwen hen vaak voor naderend gevaar. Dat zou kunnen verklaren waarom de oorschelpen van muizen relatief simpel van vorm zijn, in vergelijking met die van andere zoogdieren.

Stocker is op zijn best met dit soort geïnformeerde observaties. In het dagelijks leven is de auteur akoestisch ingenieur en houdt hij zich onder meer bezig met het optimaliseren van geluid in musea. Daarnaast is de Amerikaan medeoprichter van de Californische actiegroep Ocean Conservation Research, een organisatie die probeert het probleem van akoestische vervuiling onder water onder de aandacht te brengen. Zware militaire sonars brengen walvissen en dolfijnen van slag; deze zeezoogdieren zijn zeer afhankelijk van hun gehoor voor navigatie en communicatie.

Wetenschappelijk onderzoek naar het gehoor van walvissen levert nog steeds verrassingen op, schrijft Stocker. Hij put uit zijn eigen ervaring, toen hij bij het ontleden van een gestrande grijze walvis een fragiel verbeend kanaal langs de bovenkaak ontdekte, met daarin een langgerekte vetachtige massa, „ter grootte van een meisjesbeen”. Vermoedelijk een orgaan waarmee het dier trillingen kan waarnemen, schrijft Stocker. De door hem geraadpleegde walvisexpert Darlene Ketten van het Woods Hole Oceanographic Institute kent het weefsel ook, maar blijkt niet geneigd zijn speculatie te volgen.

Stocker werpt in zijn boek het net breed uit. Met gemak stort hij de potpourri van zijn professionele belangstelling uit over de lezer. Hoe het geluid van kerkklokken in West-Europa het dagelijks leven mechaniseerde, waarom moslims vanaf een minaret zingend oproepen tot het gebed in plaats van klokken te luiden. Dat het linkeroor van de kerkuil net iets hoger is geplaatst dan zijn rechteroor, waardoor de vogel in staat is ‘een akoestische driehoeksmeting’ te doen en met uiterste precisie zijn prooi te lokaliseren. Even verderop merkt Stocker op dat met ultrageluid in iemands lichaam kijken (de zogeheten ‘echo’) voor dolfijnen de normaalste zaak van de wereld is.

Wel jammer dat Stocker zich vaak laat verleiden tot oppervlakkigheid. Het waarheidsgehalte van zijn bronnen laat te wensen over, en hij verzuimt er kanttekeningen bij te zetten. Bijvoorbeeld als hij Desmond Morris aanhaalt met de anekdote dat moeders hun kind vaak aan de linkerkant tegen hun borst houden; zo zou de baby het best naar de geruststellende hartslag van hun moeder kunnen luisteren. Daar is vanuit wetenschappelijke hoek allang wat tegenin gebracht, maar Stocker neemt deze ‘feiten’ kritiekloos op in zijn boek.

Sander Voormolen