Moeizame palingseks in Volendam

De paling wordt met uitsterven bedreigd, en deze vissen zijn niet te kweken. Nederlandse biologen proberen het met zwemtraining en celimplantaten.

Paling heeft biologen lang wanhopig gemaakt. Ze weten niet hoe die rare vissen leven, die de oceaan doorkruisen om zich voort te planten. En in het lab planten ze zich niet voort.

Maar dat is achterhaald. Vooral Japanse biologen maken zo veel vooruitgang met onderzoek naar ‘hun’ paling, dat ook Europese palingbiologen weer hoop krijgen. „In 2008 was ik erop uitgekeken”, zegt visfysioloog Arjan Palstra van onderzoeksinstituut IMARES in Yerseke. „Maar nu zijn er grote ontwikkelingen.”

Hij somt op: de Japanners hebben in 2011 de paaigronden van de Japanse paling (Anguilla japonica) gevonden, ten westen van de Marianentrog. Ze hebben in 2010 uit eitjes glasalen gekweekt die opgroeiden tot volwassen palingen en zich weer voortplantten: de hele levenscyclus in het lab, voor het eerst. Intussen hebben biologen in Leiden het genoom van de Japanse én Europese paling in kaart gebracht.

En in Nederland begint een nieuw onderzoeksproject, waarbij Europese palingen zelfs met celimplantaten tot voortplanten worden gedreven.

Europese paling (Anguilla anguilla) is in dertig jaar tijd een ernstig bedreigde diersoort geworden. Van het aantal glasalen dat in de jaren tachtig nog aan de Europese kusten zwom, is 95 tot 99 procent verdwenen. Er bestaan wel palingkwekerijen, maar ook daarvoor worden wilde glasalen gevangen, die in de kwekerij simpelweg worden vetgemest. Wie er dus in slaagt de paling zich in een kwekerij te laten voortplanten, kan een diersoort redden én rijk worden. Want de schaarse glasaal brengt 1.000 euro per kilo op.

Helaas is de Europese paling raadselachtiger dan zijn Japanse verwant. Palingen uit Europese rivieren planten zich voort in de diepte van de Sargassozee, 6.000 kilometer verderop. Tijdens die migratie, die een half jaar duurt, verandert de hormoonhuishouding van de vis van prepuberaal naar paairijp. Die gecompliceerde metamorfose is niet goed na te bootsen. En niemand weet waar en hoe de larven zich precies ontwikkelen.

En dus liggen Europese visbiologen achter bij hun Japanse collega’s. Nog niemand heeft hier ooit glasalen gekweekt. „Van alle palingsoorten is de Europese aal de moeilijkste om te kweken”, zegt Ron Dirks. Hij is directeur en onderzoeker bij het Leidse bedrijfje NewCatch, een spin-off van de Universiteit Leiden. Dirks legt uit: geen enkele andere palingsoort zwemt zo ver naar zijn paaigronden. Daarom is de hypofyse van de vis (het hersendeel dat hormonen produceert) van nature heel sterk onderdrukt. Dirks: „De palingen mogen niet afrijpen voor ze bij de paaigronden aankomen.”

Droog en leeg

In palingdorp Volendam weten ze hoe moeilijk het is om die hormoonproductie kunstmatig op gang te brengen. Daar, op een bedrijventerrein vlak bij het IJsselmeer, is Glasaal Volendam gevestigd. Twee jaar geleden werd het bedrijf opgericht. Het doel: het kweken van palinglarven voor commerciële productie. De vier enorme bakken die klaarstaan voor de larven, staan echter droog en leeg. De palingen van het bedrijf leveren zaad en eitjes genoeg, maar in twee jaar kwamen er uit miljoenen bevruchte eitjes slechts tien larven.

„Alle laboratoria, wij ook, werken met een protocol gebaseerd op dat van de Japanners”, vertelt bioloog Bastien Debeuf van het bedrijf. Volwassen palingen krijgen enkele maanden lang wekelijks hormonen ingespoten om ze geslachtsrijp te krijgen. De vrouwtjes krijgen injecties met gemalen hypofyse van geslachtsrijpe karpers. De mannetjes krijgen het hormoon hCG, uit urine van zwangere vrouwen.

Voor Japanse alen werkt dat recept redelijk – al is de opbrengst nog te laag voor commerciële toepassing. Maar voor Europese alen voldoet het niet of nauwelijks. Blijkbaar zijn de zaad- en eicellen die zo ontstaan, te slecht van kwaliteit. Palstra van IMARES: „Je injecteert hormonen van een volwassen karper in een aal die nog maar net in de puberteit is. Dat is onnatuurlijk.”

Dit voorjaar kregen Glasaal Volendam, IMARES en NewCatch samen 250.000 euro overheidssubsidie om de larvenproductie te verbeteren. Eén aanpak die de groep gaat proberen, is juist verre van natuurlijk: het is een combinatie van moderne gentechnologie en celkweek. Het bedrijfje NewCatch spuit palingen in met genetisch gemodificeerde cellen van een andere vis, de elrits. Die elritscellen zijn genetisch zo veranderd dat ze een geslachtshormoon van de paling produceren. Ingespoten in de buikholte van de paling geven de cellen continu een beetje hormoon af.

Op dit moment zwemmen zo behandelde vrouwtjespalingen in een zeecontainer in Leiden. Net voor de Kerstdagen moet het zo ver zijn. Dan zijn de vrouwtjes geslachtsrijp en kunnen hun eitjes bevrucht worden – als het lukt. Dirks: „Hun bloedwaarden zien er goed uit.” Als de test slaagt, gaan er palingen met celimplantaten naar Glasaal Volendam voor verder onderzoek.

Palstra van IMARES krijgt eind deze maand in Yerseke de eerste palingen binnen voor experimenten. „Wij willen onderzoeken wat de natuurlijke triggers zijn voor de seksuele rijping.” Oftewel: hij wil weten of het uitmaakt of de natuurlijke omstandigheden in het lab worden nagebootst. „Eerst de migratie in zoet water, waarbij de dieren zwemmen en uitgehongerd raken. En dan de migratie in zee, waarbij de dieren in het donker zwemmen.”

Maar behalve seksuele rijping is er nóg een groot probleem. Als de larven uitkomen, wat voer je ze? Bastien Debeuf: „We weten niet wat ze eten.” Van nature eten de larven waarschijnlijk een soort plankton. De Japanse biologen brengen larven groot op een extract van haaieneieren, aangevuld met vitaminen. Ze hebben niet gepubliceerd wat er precies in het voedsel zit – geruchten gaan dat er eieren van een bedreigde haaiensoort voor gebruikt worden. Debeuf: „Veel mensen in dit vak houden hun kennis voor zichzelf.”