In Nederland wordt een nationale herdenking al snel Oranje

Tweehonderd jaar koninkrijk. Vanaf 30 november wordt het landelijk gevierd. Maar wat herdenken we nu precies? Onze herwonnen onafhankelijkheid? Of twee eeuwen monarchie met de Oranjes?

Hoeveel prenten, schoolplaten en schilderijen zijn er niet van gemaakt? Willem Frederik, erfprins van Oranje, die op 30 november 1813, na een ballingschap van achttien jaar, aan boord van het Britse linieschip Warrior aankomt voor de kust van Scheveningen. Zodra de marinesloep het strand raakt, rijden vissers de prins in een kar naar het dorp. Als hij eenmaal koning is geworden, zal deze wat rommelige aankomst mythisch worden uitvergroot tot een vertoon van verbondenheid tussen vorst en volk.

Op die 30ste november was de afloop nog helemaal niet zeker. Toch begint op de laatste dag van november de herdenking van ‘tweehonderd jaar koninkrijk’ in Scheveningen.

Henk te Velde is hoogleraar Vaderlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden, en de enige historicus in het Nationale Comité dat de viering coördineert. De andere leden zijn politici, zakenlui, artiesten en een enkele sportman. Te Velde: „Dat ik de enige historicus ben, is geen toeval. De bedoeling van het comité is niet om het accent te leggen op herdenken, maar op wat er in die twee eeuwen tot stand is gebracht, onze verworvenheden.” Hij is wel aanspreekbaar als de geschiedkundige van het gezelschap.

Twee eeuwen? Nederland was van 1806 tot 1810 toch al een koninkrijk onder Lodewijk Napoleon?

„Jawel. Veel mensen verwarren ‘koninkrijk’ met koningschap en denken dat het om de koning gaat. Maar ‘het koninkrijk’ is de Nederlandse staat. En de naam van het evenement wil niet zeggen dat er daarvoor niet al vier jaar een koning was, maar dat Nederland tweehonderd jaar onafgebroken een koninkrijk is geweest. Ook in de jaren 1940-’45, toen koningin en kabinet in ballingschap waren.”

Waarom 2013, en niet 2015? Nederland heette in 1813 nog vorstendom. Het werd pas in 1815 een koninkrijk en de grenzen van de nieuwe staat werden pas in dat jaar vastgelegd in Wenen.

„Dat is zo. Daarom bestrijkt deze herdenking, anders dan die in 1863, 1913 en 1963, voor het eerst de hele periode 1813-1815. Hij begint op 30 november 2013 en loopt door tot september 2015, want op 21 september 1815 werd koning Willem I ingehuldigd in Brussel door de voltallige Staten-Generaal. Dat was de afronding van twee bewogen jaren. Terugkijkend lijkt het allemaal gladjes te zijn verlopen, maar na de terugkeer van erfprins Willem Frederik bleef het nog lang rommelig.”

Is er niet één canonieke datum, die we kunnen beschouwen als begin van het koninkrijk?

„Het ligt er maar aan wat je herdenkt. Kies je de onafhankelijkheid, dan begint die eigenlijk in november 1813, met de opstand tegen de Fransen. Dan zou je 17 november als beginpunt kunnen nemen, de proclamatie door Gijsbert Karel van Hogendorp. Die luidt ‘Oranje boven, Holland is vrij’. Dat is blufpoker, want op dat moment is Holland nog helemaal niet vrij – er zijn nog Franse troepen in het land – en Oranje is nog helemaal niet boven. Je zou ook kunnen denken aan 15 november, als de douanehuisjes in Amsterdam in brand worden gestoken. Op 30 november landt de prins van Oranje in Scheveningen. Dat kun je alleen achteraf als een belangrijk moment zien; op het moment zelf betekende het formeel niks. Je kunt ook 2 december nemen, want dan aanvaardt de prins in Amsterdam de titel ‘soeverein vorst’. Die heeft de groep rond Van Hogendorp hem eigenlijk al eerder aangeboden, maar pas als hij ziet dat Amsterdam ‘om’ is, durft hij die te aanvaarden.”

Wat herdenken we nu precies?

„Het herstel van de onafhankelijkheid. Over al het andere kun je discussiëren, maar dát is evident. In de opdracht van het kabinet staat ook dat het daarover moet gaan. Maar door 30 november te kiezen als beginpunt van de viering verbind je die onafhankelijkheid met de monarchie. In die tijd draaide het namelijk allemaal om Oranje. Niet zozeer om wat de prins deed, maar hij was op dat moment symbool van de herstelde onafhankelijkheid.”

Toch hebben veel mensen in Nederland de indruk dat we straks 200 jaar monarchie herdenken. In april werd gezegd: ‘de troonswisseling is een mooie opmaat voor de herdenking’.

„Ja, dat is een beetje dubbel. Als je aandacht wilt voor die viering, is het goed om aan te haken bij de populariteit van het koningshuis. Als er in Nederland een nationale herdenking op touw wordt gezet, gaat het al heel snel over Oranje. Want dat is het vocabulaire waarin hier over de natie wordt gesproken. Het is niet zo dat het comité daar nu zo sterk de nadruk op legt; over die monarchie is al zoveel gezegd. Maar het zou ook gek zijn om eraan voorbij te gaan, want de Nederlandse monarchie is misschien wel de meest spectaculaire uitvinding van die jaren.

„Als historicus vind ik het belangrijkste element van de viering de instituties die toen zijn ontstaan. Die hebben het grootste historische belang. Die instellingen zijn de Grondwet, de Eerste en Tweede Kamer en de monarchie – in die volgorde. Die vormden bij elkaar een flexibel kader waarbinnen, en in discussie waarmee, uiteindelijk onze democratie tot stand is gekomen.”

Terug naar 1813. Het blijft een mysterie waarom na twintig jaar, waarin de Oranjes buiten spel stonden en de erfprins rondzwierf tussen Duitsland en Engeland, mensen in de straten van Amsterdam opeens ‘Oranje boven’ riepen.

„Ja. Kijk je naar de geschiedenis van het orangisme dan zie je dat het meer is dan een beweging. Het is een repertoire dat beschikbaar is wanneer het uitkomt. En er zijn mensen die zich met dat repertoire verbonden voelen. Het duikt op in crisissituaties: in 1672, als het land van alle kanten wordt belaagd en stadhouder Willem III redding moet brengen; in 1747, als Willem IV iets soortgelijks doet; in 1813, en uiteindelijk nog een keer in 1940-’45. Dan doen mensen een beroep op het Oranjerepertoire. En het komt eerder van onderop dan van bovenaf.”

Een bron van hoop voor gewone mensen?

„Een vlag. Een kristallisatiepunt. Het is 1813 en het gaat economisch slecht. De kinderen zitten in Rusland. Die vervelende Fransen koeioneren je. Dan wil je je onvrede kenbaar maken en wat doe je dan? Je wappert met een oranje vlag. In de twintig jaar daarvoor waren er nog steeds mensen die zo nu en dan ‘Oranje boven’ riepen; het is niet helemaal vergeten. Dat oude repertoire betekent niet per se een enorme aanhankelijkheid aan Oranje. Het wil ook niet zeggen dat er een panklare conservatieve ideologie is. Oranje associeert men met herstel van de goeie ouwe tijd. Oranje moet komen om alles goed te maken.”

En wat is ‘Oranje’? ‘Het huis’? De prins?

„Er is op dat moment iemand dé Oranje, maar het is meer dan die persoon. Want Willem Frederik kende men helemaal niet in Nederland. Sinds 1795 niet meer gezien. In november 1813 hebben alle partijen er belang bij om Oranje de lucht in te steken. Het volk dat genoeg heeft van de Fransen. Oude patriotten die altijd al een eenheidsstaat wilden, en dat kan met een vorst. En notabelen die vooral herstel van rust en orde willen.”

En daar hebben ze Willem Frederik bij nodig?

„Ja, dat denk ik. Bij zijn intocht op 2 december staat heel Amsterdam op z’n kop, blijkt uit dagboeken. Het volk is op dat moment in Amsterdam orangistischer dan de notabelen. Die zeggen tegen elkaar: laten we ook maar een oranje strikje op de hoed steken, anders krijgen we gedonder. Dan zal de rust wel weer terugkeren. Als Willem Frederik op 30 maart 1814 terugkomt naar Amsterdam om te worden ingehuldigd als constitutioneel vorst is het enthousiasme bij het volk al wat minder. Een dag eerder heeft een college van notabelen een grondwet vastgesteld. Daarin is niks terechtgekomen van volksinvloed.”

Waarom is de oude Republiek eigenlijk een monarchie geworden?

„Dat blijft een lastige vraag, maar je kunt er wel iets over zeggen. In de eerste plaats was het koningschap van Lodewijk Napoleon niet slecht bevallen. Hij was zeker niet impopulair en het ging toen beter, vond men, dan na de inlijving bij het keizerrijk in 1810. Dan gaat het economisch veel slechter, moeten alle zonen in het Franse leger. Een tweede factor, en die is minstens zo belangrijk, is dat monarchieën in de mode waren. Aan het begin van de negentiende eeuw krijg je overal nieuwe vorsten. Het gaf toen meer prestige om een koning te hebben dan een stadhouder, want dan telde je internationaal toch minder mee.”

Het is wel duidelijk dat het Huis van Oranje een band heeft met de staat der Nederlanden. Maar heeft het ook een band met de Nederlandse democratie?

„Er zit een populistisch element in de geschiedenis van Oranje. Zo leefde in de negentiende eeuw het idee dat de koning de belichaming was van wat ‘het volk’ wil. Het volk beriep zich ook af en toe op Oranje om protest te laten horen tegen het politieke bestel, tegen de notabelen-elite. Bijvoorbeeld in 1813; maar ook rond 1848, toen radicalen een ‘volkskoningschap’ wilden. En in 1878 met het confessionele ‘volkspetitionnement’ aan de koning voor lager onderwijs. De koning is dan symbool van een strijd tegen het establishment, maar die heeft weinig te maken met algemeen kiesrecht. De Oranjes hebben zich daarvoor niet ingespannen, maar ze hebben ook niet de kans gehad zich er actief tegen te keren.”