Het is verboden dit artikel te lezen zonder een ID of een redelijk doel

Worden zwarten en Marokkanen in Nederland op straat gecontroleerd vooral omdat ze er anders uitzien? Deze week publiceerde Amnesty International een literatuurstudie over etnische selectie bij de politie waarin dat aannemelijk wordt gemaakt.

Onduidelijk is alleen hoe frequent dat gebeurt. Maar dat agenten selectief kijken en huidskleur daarbij structureel een belangrijke rol speelt, is een feit. In tal van geciteerde onderzoeken spreken geïnterviewde agenten daarover vrijuit. Zoals deze Goudse politieman: „Waar het meest de confrontatie uit voorkomt, is het moment dat je gaat controleren op etniciteit, dat je regelmatig dezelfde jongeren of Marokkaanse jongeren controleert, dat ze zich heel vervelend gaan gedragen. En dat is niet omdat ze dat per se willen, maar omdat ze misschien wel drie, vier keer in de week gecontroleerd worden terwijl ze eigenlijk geen criminele activiteiten ontplooien.” Die jongens, zegt deze agent letterlijk, worden gecontroleerd „op het feit dat ze Marokkaanse jongeren zijn of dat ze bij mekaar staan”. Dat leidt dus tot polarisatie en lokt incidenten met de politie uit. Meestal scheldpartijen, die dan weer worden bestraft door het parket of soms de strafrechter. Zo houdt men elkaar bezig.

In veel gemeenten wordt geprobeerd de etnische jeugd ronduit van straat te weren. ‘Verboden zich hier op te houden zonder redelijk doel’ zag ik laatst op een gemeentelijk verbodsbord staan, waarvan een foto op internet rondging. (Kijk op Twitter bij @folkertjensma). Het blijkt het standaard overlastartikel, bedoeld om zwervers weg te sturen. Maar het wordt ook tegen gekleurde jeugd gebruikt. Ik was nog zo naïef te denken dat iedere burger zelf mocht weten waarom hij of zij op straat is. Dat is niet meer zo. Net zoals er ‘veiligheidsgebieden’ zijn waar iedereen preventief mag worden gefouilleerd. Wat jongeren zelf omschrijven als ‘chillen’, een praatje maken met bekenden op straat, is door de gemeenten officieel omgekat naar overlast. Het recht om in de publieke ruimte vrij aanwezig te mogen zijn, is daarmee uitgehold. De ID-plicht geldt als stok achter de deur.

Ik verbaasde me al eerder over de druk die de politie op etnische jongens legt. In de interviews die onderzoeker Jan Nap hield voor zijn dissertatie Vragen naar goed politiewerk bekritiseerden Amsterdamse agenten de praktijk van het ‘jagen’ op deze jongeren als contraproductief. „Die Marokkaanse jongens worden al snel bijdehand gevonden en als de politie het niet met woorden af kan, gaan ze zoeken en schrijven. De politie zal winnen.” Ze krijgen een bon ‘voor alles’. Een zwarte agent, die discriminatie uit eigen ervaring kende, over zichzelf: „Je moet neutraal zijn, niet steeds controleren en denken, dat is een allochtoon in een mooie auto, dat zal wel niet deugen. Zo wordt er wel gedacht door collega’s. Natuurlijk vind je altijd wel wat als je steeds controleert, maar dat moet je niet doen.”

Toch gebeurt het. Sterker, het is standaard politiepraktijk. Net als in de VS waar er een cynische afkorting voor is verzonnen: DWB, driving while black. Vorig najaar presenteerde de antropoloog Sinan Çankaya de resultaten van anderhalf jaar meerijden en meekijken met de Amsterdamse politie. Zijn conclusie was dat burgers met een etnisch uiterlijk relatief de grootste kans op controle lopen. Çankaya liep 25 surveillancediensten mee en hield 59 interviews met agenten. Dat is een bescheiden basis om te generaliseren. Maar het geeft wel een goed inkijkje. Hoe taxeert, interpreteert en categoriseert een agent de omgeving? Uiterlijk, locatie, vervoermiddel, tijdstip, sekse, gedrag spelen mee bij de beslissing om iemand aan te spreken. Net als politie-informatie over de criminaliteit ter plaatse. De politie deelt de wereld in stereotypen in: van gedrag en van personen. Uit zijn onderzoek De controle van marsmannen en ander schorriemorrie blijkt dat etnische kenmerken niet altijd afgewogen of consistent worden beoordeeld. Een blanke in een arme etnische wijk moet zich echt heel verdacht gedragen voordat hij wordt aangesproken. Maar een zwarte jongen die alleen maar fietst in een rijke wijk, is al verdacht genoeg om aan te spreken.

De maatstaf voor het handhaven van de orde door de politieman op straat blijkt de vraag: ‘Klopt het plaatje?’ Stemt dat overeen met zijn noties van sociale rangorde, van normaal gedrag, over wat er bij wie past, wie (on)gevaarlijk is en wat (on)gewoon.

De normen van de sociaal dominante groep wegen dan het zwaarst: blanke middenklasse. Wat daarvan afwijkt valt al snel onder te brengen in de tamelijk schilderachtige dadercategorieën, de ‘doelgroepers’ waarop gelet moet worden. Dat kan gaan om scooterjeugd, Oostblokkers, negers, naffers (Noord-Afrikanen), junks, zigeuners, BuRoPo’s (Bulgaren, Roemenen, Polen), tokkies (asocialen), pisvlekken (zwervers), dealers, eencelligen (gestoorden). Een jonge Marokkaan in een dure lease-Audi in een arme wijk: klopt niet. Een langzaam rijdende oudere auto met vier inzittenden in een betere wijk: inbrekers op verkenning. Slenterende groepjes die langdurig kijken naar winkels, huizen of tassen van voorbijgangers: dieven. Passagiers die in een half lege tram juist bij een groepje gaan staan: zakkenrollers.

Het aanspreken en controleren leidt zelden tot aanhoudingen. Agenten zien het vooral als preventie, als het verhinderen van criminaliteit en het verzamelen van informatie. Veel contacten leiden tot ‘mutaties’ in de politiesystemen, bekend als ‘aandachtvestigingen’. Hoe vaker je dus niet in het juiste ‘plaatje past’ hoe meer registraties in het politiesysteem. Zo ontstaan er dus vanzelf profielen van risicogroepen, die zichzelf weer versterken. Eenzijdig gekleurd, dat dus wel.

Reageren? Volledige naamsvermelding verplicht.