‘Gevoel van ontroering en voldoening overheerst’

In de rubriek ‘Het nabestaan’ praten mensen over verlies, rouw en hoe het leven verder gaat. Daaronder staat een necrologie van een niet per se bekende persoon.

(Boven) „Mijn ouders in de jaren zestig.” (Onder) „Eind 1996 ging ik met mijn eerste kind voor de eerste maal naar mijn ouders. Mijn vader was te ziek om bij ons te komen.”

„Ik heb de mooiste jeugd gehad die je je als kind kunt wensen. Wij woonden in een grote villa in Hilversum, met een enorme tuin. Altijd honden om ons heen, en een eigen paard. Kuilen graven in de tuin. Altijd kamerbewoners erbij, vaak musici van omroeporkesten, steeds muziek in huis, ook omdat mijn moeder conservatorium had gedaan en zangpedagoge was.

„Mijn vader was elektrotechnisch ingenieur, met een sterk filosofische inslag. Hij is pionier geweest in de ontwikkeling van computers. Met mijn moeder kon hij geanimeerde gesprekken voeren over ‘systemologie’. We hingen thuis niet één geloof aan, we kregen van alles wat mee: katholicisme en Mensendieck, gedachtengoed van de Dalai Lama en acupressuur – het hing in hun ogen allemaal met elkaar samen in een universele, harmonieuze orde.

„Mijn moeder was 80 jaar toen mijn vader in 1998 overleed. Wij dachten toen dat voor haar het einde ook zou naderen: ze had jarenlang vol overgave, ‘24/7’, voor mijn vader gezorgd. In ieder geval, dachten we, zou ze het niet lang kunnen volhouden, alleen in dat enorme huis.

„Na mijn vaders overlijden kreeg mijn moeder gezelschap van twee Roemeense musici. Wij kenden hen door een gedeelde passie voor zigeunermuziek. Eerst kwamen de mannen, toen hun vrouwen en drie kinderen. Zij werden na verloop van tijd haar mantelzorgers, die haar jarenlang hebben verzorgd, tot op de dag van haar overlijden, nu drie weken geleden.

„Mijn moeder was een krachtige, dominante vrouw. Zolang ze zelf alles kon, was dat niet zo’n probleem: ze ging gewoon haar eigen gang en ze gaf iedereen om zich heen ook de ruimte. Maar dat werd moeilijker naarmate ze hulpbehoevender werd en die hulp amper toeliet. Ja, de Roemenen, hun hulp vond ze prima; dat zag ze als een soort vervangend gezinsleven, zoals ze zelf vier kinderen had grootgebracht. Driemaal per dag kreeg ze eten van haar Roemenen. Van ons, haar kinderen, accepteerde ze verder geen hulp of raad. En verhuizen naar een kleiner huis, naar een bejaardenhuis of een opname in een verpleeghuis? Dat was voor haar totaal onbespreekbaar.

„De eerste jaren na mijn vaders dood vond ik het ook wel makkelijk. Mijn kinderen waren jong, ik had mijn werk. Mijn moeder en ik belden elkaar regelmatig en dat was gezellig: zij had haar verhalen, ik de mijne. Dan zei ik: ‘Mam, ik kom gauw weer eens langs’ en dan zei ze: ‘Ach, heeft geen haast, hoor, jij hebt het druk genoeg, we hebben elkaar nu toch uitgebreid gesproken?’

„Maar de laatste jaren werd haar wereld kleiner en kleiner. Ze trok zich terug in één kamer in haar huis. Aan de telefoon werden haar monologen, met al haar wereldbespiegelingen, steeds langer en haar toon werd bozer.

„Als dochter raakte ik in tweestrijd. Ik vond van mezelf dat ik haar vaker moest bezoeken, maar het werd steeds zwaarder bij haar te zijn – in die kamer, met een po in de hoek, waar geen raam open mocht, waar ze dag en nacht verbleef en uiteindelijk alleen maar op haar bed lag. Er was, letterlijk en figuurlijk, een hele benauwende atmosfeer ontstaan.

„Een gesprek over haar situatie was onmogelijk. Zij had het allemaal ‘prima voor elkaar’. De Roemenen, die voelden haarfijn aan wat ze belangrijk vond, vond ze: ik zag het allemaal verkeerd.

„Zo werd langzaamaan de vraag urgent: hoe lang is dit nog verantwoord? Het huis raakte in verval. Er groeide een boom in de dakgoot, er ontstonden lekkages. De verwarmingsketel hield er bijna mee op. Dringend noodzakelijke reparaties lieten we wel doen, maar van groot onderhoud was geen sprake meer.

„Steeds scherper zie je dan: dit kan eigenlijk niet meer zo. Maar ja, hoe grijp je in en wanneer grijp je in? Terwijl mijn moeder maar bleef zeggen: ‘Ik heb zelf de regie’ en echt heel boos werd bij tegenspraak.

„Aan de ene kant denk je dan: ik overrule haar, ik zie dat ze de regie kwijt is. En aan de andere kant: dit is háár manier om haar leven te voltooien, ze wordt inderdaad goed verzorgd door haar Roemeense huisgenoten. En het huis is haar universum, ze woont er al sinds 1946. Moet ik haar in die laatste fase onder dwang laten weghalen?

„En toen, deze zomer, kwam er opeens een brief van de gemeente: dat mijn moeders huis op de monumentenlijst staat en dat ernstige gebreken waren geconstateerd. Inmiddels was ik haar curator. Of ik vóór 1 oktober alles in orde wilde laten maken. Ik ben met gemeenteambtenaren in gesprek gegaan. Ze toonden begrip voor de situatie, maar ja, zij hebben ook hun verantwoordelijkheid, zij staan voor monumentenzorg en dat begrijp ik ook.

„Dan wordt het probleem van moeder in dat grote huis opeens nóg urgenter. Behalve de vragen over haar gezondheid en welzijn doemt er opeens een groot financieel probleem op. Moeten we haar dan uit haar huis halen, omdat renovatie niet te betalen is?

„Op 30 oktober zou de gemeente komen voor inspectie. Op vrijdagavond 25 oktober belde een van haar Roemeense huisgenoten: ze wilde niet meer eten. Dat was in de weken daarvoor wel eerder gebeurd, maar toen krabbelde ze daarna toch weer op.

„De volgende dag ben ik bij haar geweest. De herfstzon scheen door haar ramen. Ze sliep vredig, contact was niet meer mogelijk. In de auto terug naar huis ging de telefoon: ze was overleden.

„Op 1 november hebben we haar begraven. Een gevoel van ontroering en voldoening overheerst bij mij. Ze heeft haar leven afgerond op de plek en manier waarop zij dat wilde. De man van de gemeente heb ik afgebeld. Het wordt een immense opgave afscheid te nemen van ons ouderlijke huis, maar mijn moeder is een verhuizing bespaard gebleven.”

Gijsbert van Es

Reacties via nrc.nl/hetnabestaan Twitter: #nrc #hetnabestaan