Een revolutionair rapport - en een gapende bureaula

Papier is geduldig, maar krantenpapier niet. Gisteren is een eeuw geleden. Elke dag, zoals een oud-hoofdredacteur het ooit een tikje schamper uitdrukte, wordt er een nieuw varken door het dorp gejaagd.

Hoe komt een tamelijk theoretisch, abstract, niet-gillend rapport van honderden pagina’s daar dan tussen?

Vorige week verscheen Naar een lerende economie van de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid (WRR), een pleidooi voor niets minder dan een complete transformatie van de Nederlandse economie en het onderwijs.

NRC Handelsblad bracht op de nieuwspagina’s een kort feitelijk stuk (362 woorden), een minianalyse (361 woorden) en een kader met kernpunten (213 woorden). De inzet van het bericht was hoog („De huidige crisis markeert het einde van het naoorlogse tijdperk”), maar de analyse ronduit sceptisch: dit rapport met „toekomstdromen” wacht vermoedelijk „een diepe bureaula”, omdat er toch geen geld voor is.

Een verbaasde lezer vond dat het rapport van de respectabele Raad zo wel erg snel werd afgeserveerd. Want wat stond er eigenlijk allemaal in te lezen? De krant meldde wel enkele kernpunten, maar verder vooral algemene waarnemingen uit het rapport. Geen verdere uitleg of achtergronden, en ook geen interview met WRR-projectleider Peter van Lieshout, die het rapport in veel andere media, soms uitgebreid, toelichtte. Het commentaar van de krant sprak niettemin van een „oproep tot revolutie” waar het hoog tijd voor werd.

Vervolgens werd het revolutionaire rapport, zoals je kunt verwachten, bijgeschreven op het dagmenu van columnisten en brievenschrijvers.

Economieredacteur Menno Tamminga kwam er twee keer op terug, in zijn eigen column. Hij schreef, geen geringe aanbeveling: „Wie één boek of rapport wil lezen over economie en politiek, komt dit jaar aan zijn trekken [met dit rapport].’’

Tamminga stipte ook alvast twee mooie onderwerpen uit het rapport aan waarover je best meer zou willen lezen: de cruciale positie van de Nederlandse middenklasse voor de economie, en de relatie met Duitsland, „ons buurland, achterland en wellicht ons voorland”. Zijn collega-columnist Sheila Sitalsing merkte in de Volkskrant op dat het rapport „genoeg aanknopingspunten bevat voor een debat of tien”. Ze sprak de Tweede Kamer aan – maar waarom zou dat niet ook gelden voor de media?

Tien dagen na de presentatie van het rapport volgde in het Groene Panel (katern Economie) nog een vervolg, over alternatieve manieren om welvaart te meten.

Al met al toch onbevredigend, dat ben ik met de lezer eens, dat zo’n ambitieus rapport zo snel weer uit de nieuwskolommen verdwijnt. Daar kunnen allerlei praktische verklaringen voor zijn – mankracht, prioriteiten, ander urgent nieuws. Maar, zegt de klerk dan, voor een goed rapport is het nooit te laat.

Ik heb hier al eens geschreven over de neiging om rapporten groot te brengen op dag één, maar meteen daarna over te schakelen naar ander nieuws, terwijl er nog meer te halen was geweest. Neem de onderuitputting van het rapport over de Project X-rellen in Haren. Dat is niet voorbehouden aan deze krant, je ziet het overal in de media. Liever mensen met een verhaal dan rapportentaal.

En dan ging het bij Haren nog om een onderwerp met hoge nieuwswaarde. Brede rapporten die niet hangen op een concreet incident, zoals die van de WRR, Rekenkamer of het Sociaal en Cultureel Planbureau, hebben het nog moeilijker.

Nu zijn die natuurlijk ook lastig te behappen voor journalisten, die snel en scherp moeten kiezen (‘Wat is het nieuws?’). Het gaat vaak om complexe analyses en toekomstscenario’s, meestal zonder de brisante conclusies waar je de krant makkelijk mee kunt openen (‘Sluit tien universiteiten’, ‘Overheid verkwistte miljarden’). Ja, dan ligt de wereldwijze reflex voor de hand: mooi gesproken, dominee, maar wie gaat dat betalen?

Maar ja, daarmee wordt ‘haalbaarheid’ het belangrijkste criterium om ergens dieper op in te gaan – terwijl de journalistiek zo’n rapport ook zelf op de agenda kan zetten - en houden. Toen de Tweede Kamer in januari 2004 uitgelachen was over het rapport van de commissie-Blok over integratie (omdat er volgens het rapport ook veel goed bleek te gaan), las redacteur Dick van Eijk het toch maar van kaft tot kaft. Twee maanden later, toen het alsnog in debat kwam, schreef hij er een recensie over (2.945 woorden).

Bovendien, je kunt zo’n rapport óók gebruiken als rijke bron (voor dit WRR-rapport werden honderden gesprekken gevoerd) om de lezer in de diepte te informeren over structurele verschuivingen in economie en samenleving – wie weet stuit je dan ook nog op nieuws.

Dan een andere alarmkreet over ons onderwijs, geen rapport, maar een ‘beweging’. Een groep bezorgde academici, Science in Transition, trekt van leer tegen de dalende kwaliteit van promoties en van peer reviews bij vakbladen.

De krant bracht een prima stuk van wetenschapsredacteur Marcel aan den Brugh, waarin leden van de groep én anderen aan het woord kwamen. Maar vervolgens werden ook hier de messen vooral geslepen met meningen. Columnist Rosanne Hertzberger liet weten het op veel punten eens te zijn met de klagers maar ook „een soort D66-gezwets” te zien in hun pleidooi. Er was een opiniestuk van onderwijsjournalist Leo Prick, en vandaag brengt de bijlage Wetenschap een interessant debat over de ‘rebellen’.

De krant houdt deze controverse dus vast, dat is mooi. Maar zo’n aanklacht vraagt wat mij betreft ook om veldwerk, reportages en feitelijk onderzoek, de affaire-Stapel indachtig. Wie weet slaan de bezorgde academici loos alarm, maar je wilt meer van de praktijk weten.

Kortom. Het is behoorlijk druk in de krant met persoonlijke columns, portretten en rubrieken over mensen (De correspondent in...; M/V in het nieuws). Maar soms snak je naar een rubriek over vergeten, genegeerde, weggewuifde, onhaalbare en uiteraard onbetaalbare, maar toch interessante rapporten. Werktitel: Uit de bureaula.

Reacties: ombudsman@nrc.nl