Diplomatenstad Den Haag

De internationale gemeenschap in Den Haag werd onlangs opgeschrikt door een rel rond een dronken Russische diplomaat. Dat is uitzonderlijk, want gewoonlijk doen de ruim 10.000 mensen hun werk op buitenlandse ambassades en andere internationale organisaties het liefst in stilte. „Dat is nederig maar essentieel werk”, zegt een ambassadeur.

De ambassadeur van Kosovo in Nederland, Vjosa Dobruna, wordt bij de ambassade in de Anna Paulownastraat opgehaald met een rijtuig van koning Willem-Alexander om op Paleis Noordeinde haar geloofsbrieven aan te bieden. Foto David van Dam

Hoefijzers op de klinkers, ratelende wielen – dat geluid begeleidt elke nieuwe ambassadeur in Den Haag. Op deze grijze oktoberochtend, met zeemist in de straten, stapt een kleine vrouw uit de koets en schrijdt het voorplein van Paleis Noordeinde op. Er klinken vier tromroffels, het protocollaire saluut. De kapel van de luchtmacht speelt het volkslied van haar land – ze bestaan pas vijf jaar, het land en het volkslied. Bij de nationale hymne hoort geen tekst, om de Servische minderheid in Kosovo niet voor het hoofd te stoten.

Als Vjosa Dobruna de erewacht inspecteert, een officier met geveld sabel aan haar zijde, ziet ze opeens dat er ook vrouwen in uniform tussen staan. Als voorvechter van vrouwenrechten maakt dat haar vrolijk en ze doet haar best hen echt aan te kijken. Dan gaat ze, wel een tikje nerveus, het paleis binnen.

De koning draagt een jacquet. Haar jurk is blauw, een tint donkerder dan de vlag van Kosovo. Ze maakt een buiging, en geeft hem twee documenten. In het eerste staat dat haar voorganger is teruggeroepen. In de tweede brief schrijft het staatshoofd van Kosovo, president Atifete Jahjaga, aan koning Willem-Alexander dat ze Dobruna in het kader van de goede betrekkingen tussen beide landen heeft afgevaardigd. En ze verzoekt de koning haar zijn vertrouwen te schenken. Dat is het officiële deel van de ceremonie. Vanaf dat ogenblik is Dobruna ‘buitengewoon en gevolmachtigd gezant van de Republiek Kosovo’. Ze is de stem van haar land in Nederland.

Het aanbieden van geloofsbrieven is het oudste gebruik van de diplomatie. De kern, de brief voor de koning, om je geloofwaardigheid te onderstrepen, is al eeuwen wereldwijd ongewijzigd. Een diploma, letterlijk ‘dubbel gevouwen’, is die geloofsbrief.

Achter zulke rituelen functioneert de Haagse diplomatie ogenschijnlijk in stilte. Een enkele keer komen ze in het nieuws, de mannen en vrouwen van de ruim honderd buitenlandse ambassades en dertig andere internationale organisaties in Den Haag. Bijvoorbeeld bij de toekenning van de Nobelprijs aan de OPCW, waar ze op het Haagse hoofdkwartier de naleving van een wereldwijd gifgasverbod uitonderhandelen. Of bij het Koude Oorlog-achtige pingpongen tussen Rusland en Nederland van de laatste weken, na een incident rond de tweede man van de Russische ambassade. De Haagse politie nam Dmitri Borodin mee naar het bureau nadat hij zijn kinderen zou hebben mishandeld. Diezelfde avond vernielde zijn echtgenote, die dronken achter het stuur zat, in een deftige Haagse straat een reeks geparkeerde auto’s.

Het brede Nederlandse onbegrip betrof vervolgens niet alleen het gedrag van de Russen, maar ook de diplomatieke onschendbaarheid waarop de twee en hun land zich krachtens het Verdrag van Wenen (1961) beroepen. Terecht, moest Nederland erkennen. Waardoor ook de politie in de fout was gegaan met de arrestatie.

Het roept de vraag op wat Haagse diplomaten eigenlijk doen als ze niet in het nieuws zijn. Het beeld van een klassieke beroepsgroep met eigen codes en privileges is hardnekkig, en verleidelijk. Zie het nieuwe Haagse webtijdschrift Diplomat Magazine, met zijn advertenties voor belastingvrije BMW’s, de ‘international desk’ van ABN Amro en maison Steltman, ‘topjuwelier voor diplomaten’. Maar hoewel er geen gebrek is aan artikelen met een fors Stan Huygens-gehalte – Bonnie Klap drinkt koffie in ‘het historische huis Schuilenburg, the stunning 18th century residence of His Excellency Mr. Franz Josef Kremp, Ambassador of the Federal Republic of Germany’ – is het ook een voorzichtige poging de luiken te openen. En soms is het zelfs verfrissend ondiplomatiek, zoals in een Braziliaanse bijdrage over Amerikaanse spionage, en een stuk dat ‘inerte’ ambassadeurs oproept serieuzer werk te maken van publieke diplomatie – onder meer via sociale media. De diplomatie verandert van karakter.

Ze verandert ook fysiek, zegt de Haagse burgemeester Jozias van Aartsen, die van 1998 tot 2002 minister van Buitenlandse Zaken was. „De diplomatie hoort vanouds bij Den Haag als de hofstad.” Maar de komst van internationale organisaties zoals het Joegoslavië-tribunaal, Europol, het internationaal strafhof van de VN, de OPCW, plus de talloze non-gouvernementele organisaties (ngo’s) die eromheen cirkelen, hebben de stad volgens Van Aartsen de laatste jaren „radicaal veranderd”.

Van de internationale gemeenschap, die ruim 10.000 mensen omvat (en direct en indirect ruim 2 miljard euro aan het Nederlandse bbp bijdraagt), is „minder dan 10 procent nog aan de klassieke diplomatie gelieerd”, schat Van Aartsen.

Daar was overigens wel een fors charme-offensief voor nodig, want nog in 2005 bleek onder expats een diepe weerzin tegen Den Haag te leven – tegen het onderwijs, de zorg, de winkels, de horeca, de Nederlandse manieren en het weer. Intussen worden ze in de watten gelegd, onder meer met een eigen balie in het stadhuis, en een eigen loket bij het Bronovo-ziekenhuis, waar het personeel niet alleen „Do you have a verwijsbriefje?” kan zeggen. „Je vraagt al die rusteloze expats zich een aantal jaar te hechten, dat vereist wel iets van de stad”, zegt Van Aartsen.

Hij wijst op de enorme plattegrond aan de muur van zijn kantoor, in 1908 getekend door de architect Hendrik Berlage. Het is een uitbreidingsplan voor Den Haag. Rechtsboven ligt een achthoekige wijk met straalvormige straten. Daar had Berlage de ‘Wereld-hoofdstad van het Internationalisme’ gedacht. Het Vredespaleis had in het middelpunt moeten komen, maar was al vergeven aan het deel van de stad waar het nu staat. Op de plek die Berlage in gedachten had, zit vanaf 2015 het VN-strafhof, vlakbij de Scheveningse gevangenis.

Javier Vallaure, de Spaanse ambassadeur, woont aan het Lange Voorhout, de mooiste straat. Sommige van de lindebomen waar hij op uitkijkt zijn in 1536 nog geplant door keizer Karel V (de Spaanse Carlos I). „Dit is nu een unieke stad voor diplomaten”, zegt hij bij een Catalaans stokvissigheidje en een glas witte Rioja. „Want de meeste ambassadeurs hebben nu meer petten.”

In andere steden met internationale organisaties, zoals Genève, Wenen, Parijs of Brussel, hebben veel landen meerdere ambassadeurs – een voor het contact tussen twee staten, en een of meer bij de internationale organisaties. „Den Haag is een van de weinige steden waar je geacht wordt zowel bilaterale als multilaterale diplomatie te bedrijven”, zegt Vallaure. „Vanochtend was ik eerst bij de OPCW, daarna was ik bezig met de moeilijke relatie tussen Afrikaanse landen en het strafhof, en toen moest ik naar het ministerie van Buitenlandse Zaken voor een consulaire zaak.”

Die meervoudige taak betekent dat veel landen Den Haag als een belangrijke post zien. Dat heeft geleid tot een ander type ambassadeur, constateren insiders. Ja, er zit soms een flierefluiter tussen, zoals de vertegenwoordiger van een jong Europees land, die zich vooral toelegde op het breken van vrouwenharten. En nee, niemand verwacht dat de Rus Dmitri Borodin nog lang op zijn post blijft, omdat hij zijn geloofwaardigheid heeft verspeeld.

Maar Jozias van Aartsen, die elke nieuwe lichting ambassadeurs in kleine groepjes voor de lunch ontvangt op het oude stadhuis, ziet het aantal juristen en hoge ambtenaren onder hen toenemen. Dat sommige ambassadeurs na Den Haag een zware regeringspost krijgen, zoals de ambassadeur van Japan, die onlangs werd teruggeroepen om minister te worden, wijst daar ook op.

Renée Jones-Bos, als secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken een belangrijke gesprekspartner voor buitenlandse diplomaten, zegt dat het speelveld van ‘Den Haag’ veeleisender is geworden. „Als ambassadeur moet je energie en een brede interesse hebben, want je moet veel willen doen”, zegt ze. „Vroeger verliepen de contacten van overheid tot overheid, tegenwoordig heb je als diplomaat met veel meer spelers te maken, waardoor je sneller moet schakelen.”

Stukjes uit de krant knippen

Bovenal hebben technologie en globalisering het diplomatieke bedrijf veranderd. Diplomaten worden nog steeds geacht de ontwikkelingen te volgen in het land waar ze zijn gestationeerd, zegt Renée Jones, die als ambassadeur in Washington (van 2008 tot 2012) het werk uit de eerste hand kent. Maar nieuws flitst nu rond de wereld en om bij te blijven zijn regeringen niet langer afhankelijk van diplomaten die in den vreemde stukjes uit de krant knippen en een samenvatting naar huis telegraferen – lees de romans van F. Springer erop na. „Niemand zit nog te wachten op algemene informatie”, zegt ze.

Toegevoegde waarde is er nog steeds. De ambassadeur is de hoogste afgevaardigde van zijn land en dat opent deuren. En hij is in de beste positie om gebeurtenissen te duiden: wat is relevant voor zijn land? En: hoe is de stemming over grote onderwerpen, zoals Europa, niet alleen onder experts maar ook ‘onder het volk’? Zoals Nick Alexander, tweede man van de Britse ambassade in Den Haag zegt: „Als Nederland een afwijkend standpunt inneemt, is dat meestal wel bekend. Maar als Londen wil weten waarom dat zo is, kan de ambassade dankzij haar voelsprieten in het Haagse circuit dat het beste uitleggen.”

Politieke, vooral Europese integratie, is een andere factor die de traditionele rol van de bilaterale ambassades verandert. Over veel Europese kwesties, van visquota tot milieuwetgeving, hebben de ministeries in de hoofdsteden nu rechtstreeks contact met elkaar. Of het gesprek speelt zich af in een van de tweehonderd Brusselse werkgroepen, waarin vakministeries van lidstaten op technisch niveau onderhandelen. Hoewel het smeden van Brusselse allianties nog steeds ook via de bilaterale ambassades loopt, zijn ze niet langer de exclusieve tussenschakel van vroeger. Een Nederlandse ambassadeur in een middelgroot Europees land verzuchtte onlangs dat hij vroeger de ‘ogen en oren van Nederland’ was, maar zich nu alleen nog ‘ambassademanager’ voelt. Vallaure, de Spaanse ambassadeur, ziet het anders: „Als mijn minister met minister Timmermans wil spreken, kan dat alleen als dat achter de schermen grondig wordt voorbereid”, zegt hij. „Dat is nederig maar essentieel werk. Je kunt geen film maken zonder de elektriciens.”

Kosovo heeft geen statige A-locatie in de voormalige duinen rond Catshuis en Vredespaleis, zoals de ambassades van België, Egypte of India. Er staat ook geen witte, 24 uur per dag bemande politiecontainer met kogelvrij glas voor de deur, zoals bij de Amerikanen en de Israëliërs. De ambassade van Kosovo is een tweemanspost in een voormalige winkel in babyartikelen, in de Anna Paulownastraat.

Een dag na het overhandigen van haar geloofsbrieven zal Vjosa Dobruna bij een Nespresso zeggen dat de ceremonie haar diep ontroerde. Ze ontvluchtte Kosovo in 1999, toen nog een deel van Servië, en hielp als arts vrouwen en kinderen met een oorlogstrauma. Na de oorlog maakte ze deel uit van de interim-regering en was voorzitter van de omroep. Nederland was een van de eerste landen die Kosovo erkende. Dat gebeurde toen op papier, zegt Dobruna, maar nu, op Paleis Noordeinde, deed een mens het nog eens. „Wie had kunnen denken dat ik daarvoor dankbaarheid mocht uitdrukken namens een land met jonge mensen die droomden van vrijheid”, zegt ze.

Maar zo’n feelgood-element is bijzaak. Als ‘ambassadeur extraordinaire et plénipotentiaire’, zoals de officiële titel luidt, spreek je letterlijk namens de regering van je land. Dat is een zware officiële verantwoordelijkheid. En uitglijders liggen op de loer. Rake maar niet zo tactvolle opmerkingen van een Franse ambassadeur in deze krant over de volksaard van de Nederlanders, met hun broodjes kaas bij de lunch, leidden ooit tot diens versnelde terugkeer naar Parijs.

Maar anders dan bij Kosovo, dat een beginnende bilaterale verhouding heeft met Nederland, is het contact op ambassadeursniveau met landen als Frankrijk of Duitsland, waar de bilaterale verhouding oud en uitgebreid is, toch ook minder belangrijk geworden. Door de enorme Europese verwevenheid lijkt de een-op-eenrelatie soms bijzaak. „Er zijn niet veel dingen meer die we niet in Brussel kunnen bespreken”, zegt een diplomaat.

Het berichtenverkeer met de hoofdsteden bestond vroeger uit gecodeerde telegrammen, die de ambassadeur zelf ondertekende. Die zijn er nog steeds, voor kwesties van hoog gewicht, maar in de veel Europese landen delen ambassademedewerkers en ministerie nu één ‘digitale ruimte’.

Verzakelijking en voortschrijdende technologie hebben het wezen van de diplomatie echter niet aangetast, zegt Renée Jones. „Dat is: je land vertegenwoordigen, organisaties met elkaar verbinden en onderhandelen, bijvoorbeeld over internationale afspraken.” Diplomatie blijft daarom in de kern people’s business. Iets van een ander gedaan krijgen, of iemand voor je standpunt winnen, komt niet alleen neer op harde argumenten, maar is ook een kwestie van psychologie en intuïtie. „Als ik een ambassadeur op bezoek krijg probeer ik me te verplaatsen in zijn of haar positie”, zegt Jones. „Waarom komt hij? Is het slim om meteen antwoord te geven, of hou ik het aan omdat ik de relatie wil openhouden? Wat kunnen we zelf aanbieden of vragen in ruil voor steun? Zulke scenario’s denk je van tevoren door. En soms ook gun je iemand gewoon iets op grond van zijn persoonlijkheid.”

De kunst van de diplomatie

Daarin schuilt de ‘kunst van de diplomatie’, beaamt Javier Vallaure. „Zelfs de hardste onderhandelaar is uiteindelijk bereid tot concessies, maar of hij dat doet, hangt niet van hem af maar van jou”, zegt hij. „Je moet hem ervan zien te overtuigen dat het in zijn belang is dat te doen. Mensenkennis en wellevendheid blijven daarom de belangrijkste eigenschappen voor een ambassadeur. Wat dat betreft is er weinig veranderd sinds de achttiende eeuw.” En eerlijkheid? „Elke politieke transactie hoort gebaseerd te zijn op goed vertrouwen”, zegt Vallaure. „Het betekent niet dat je meteen al je kaarten hoeft te laten zien, maar op zijn minst een paar.”

Door de verzakelijking is er aan vergadertafels minder ruimte voor de kunst van de diplomatie. Juist daarom is het informele circuit zo belangrijk. Daar wisselen diplomaten informatie uit, tasten posities af en lobbyen ze – bij elkaar, ambtenaren, parlementariërs, het bedrijfsleven, het middenveld. Het kan bij een diner, waar verschillende gasten rond een thema bij elkaar zijn gezocht. Of in het seminarcircuit, zoals bij het nieuwe The Hague Institute for Global Justice, een denktank waarin ‘klassieke diplomaten’ en anderen uit de ‘internationale stad van vrede en veiligheid’ die Den Haag wil zijn, samenkomen. Bij de Alliance Française, voor de slinkende groep die nog in die taal kan converseren. Bij het bord-op-schoot onder de zeventiende-eeuwse meesters in de Britse residentie, jarenlang trefpunt van diplomaten, politici en hoge ambtenaren. Op de tennisbaan, of bij de lunch van de Women Ambassadors – waarvan er in Den Haag een kleine dertig zijn. En natuurlijk bij hét symbool van de geïnstitutionaliseerde informaliteit, de ontvangst.

Lange rijen auto’s met CD-platen (van corps diplomatique) – en eentje met AA-kenteken – leveren in de motregen hun gasten af bij de Turkse ambassadeur. Zijn residentie aan de Prinsessegracht, is juist in zijn achttiende-eeuwse glorie gerestaureerd, maar Ugur Dogan moet er alweer uit. Den Haag was zijn laatste post en dit is zijn laatste receptie, ter gelegenheid van de Turkse nationale feestdag, 29 oktober.

Dat het zo druk is, is „opmerkelijk”, zegt Alexander Beelaerts van Blokland. Recepties van scheidende ambassadeurs zijn meestal minder populair dan die van beginnende, die nog een belofte voor het netwerk inhouden. Beelaerts, raadsheer bij het Gerechtshof in Den Haag, kan het weten, want als ‘stadsambassadeur’ maakt hij op verzoek van het gemeentebestuur diplomaten en andere expats wegwijs in Nederlandse kwesties, van staatsinrichting tot de zorg. Omgekeerd praat hij de gemeente bij over wat er onder internationale Hagenaars leeft. Hij doet het al tien jaar, en is daarmee de facto zelf „de langst zittende ambassadeur”, grijnst hij – al heeft hij geen duidelijke plek in het protocol. „Ze kunnen me niet plaatsen. Soms zit ik bij een etentje naast de gastvrouw, omdat ze denken dat ik een soort plaatsvervanger van de burgemeester ben, en dan weer naast de vierde secretaris.”

Hij laat een keurend oog gaan over het bonte gezelschap in de Turkse residentie, waar vroeger trouwens nog Beelaertsen hebben gewoond. „Dit is het circuit in optima forma”, zegt hij. „Als een ambassadeur met een Bernard Wientjes van de werkgevers wil praten, kom je die bij dit soort gelegenheden tegen. Dan raak je toch iets makkelijker in gesprek dan wanneer je via de secretaresse een afspraak moet maken.”

Of tout Den Haag er is, valt moeilijk te zeggen, maar in elk geval is het een aardige dwarsdoorsnede van de internationale stad. Burgemeester Van Aartsen – geen receptietijger – komt zelfs even binnenwaaien. Een internationale rechter, een van de weinigen die zich af en toe in het openbaar laat zien, laveert tussen de schalen met Turkse zoetigheden die de enigszins droef kijkende Portugese huurobers ronddragen. Er zijn zeker vijftien militair attachés, onder wie een met tressen en insignes omhangen officier uit een islamitisch land, die in een soort Engels vertelt dat hij op Wikipedia heeft opgezocht wie Atatürk is.

De ambassadeur van Cuba moet hartelijk lachen om wat de ambassadeur van Nicaragua haar in het oor fluistert. En de mannen van de Leidse Lions-club, waar de Turkse ambassadeur eens een spreekbeurt heeft gehouden, hebben ook een genoeglijke avond. De foto’s verschijnen in Diplomat Magazine, waarvoor mede-uitgever Eugene Matos, tevens tweede man van de Dominicaanse ambassade, enthousiast reclame maakt. Tot slot krijgen ambassadeur Dogan en echtgenote Manolya nog een geborduurd portret aangeboden, en dan staan we weer buiten. Beelaerts stapt op de fiets. Hij moet zijn neus nog laten zien op een diner van vrouwelijke expats in Wassenaar.