De

caissière

en haar overvaller H

Reconstructie

Justitie gaat daders en slachtoffers van misdrijven met elkaar in contact brengen. Lianne van ‘t Veen ontmoette haar overvaller Jan. „Ik vind het nog steeds niet oké. Maar ik snap wel waar het vandaan komt.”

tekst Andreas Kouwenhoven

foto’s Willem Popelier

ij zit op een bankje achter het tankstation. Hij heeft een sjaal om zijn mond gebonden en een muts over zijn voorhoofd. Nog vijf minuten. Dan is het half negen en zal hij het tankstation binnenlopen met een mes.

Lianne van ‘t Veen (44) en Jan (20) ontmoetten elkaar twee jaar geleden in een benzinestation aan de rand van een dorp. Zij stond achter de kassa, hij pleegde de overval. Twee maanden geleden troffen ze elkaar weer, voor een gesprek. De dader wilde sorry zeggen.

Vanaf deze week stimuleert Justitie dit soort bemiddelingsgesprekken in het strafrecht. Vijf parketten starten een proef waarbij vierhonderd slachtoffers en daders met elkaar in contact worden gebracht. Een bemiddelingsgesprek kan zowel slachtoffers als daders helpen bij het verwerken van een misdrijf, denkt justitie.

Wat heeft het Lianne van ‘t Veen en Jan gebracht, die na de overval opnieuw met elkaar in contact kwamen? We spraken hen beiden onafhankelijk van elkaar en reconstrueerden drie ontmoetingen tussen de caissière en haar overvaller.

De eerste ontmoeting

Hij loopt naar binnen en haalt een legermes uit zijn broekzak. Zijn vriend staat al bij de kassa, heeft een pakje Camelsigaretten besteld. Precies zoals ze het vooraf hadden doorgesproken. De caissière telt het wisselgeld. De kassa gaat open. Nu is het zijn beurt. Hij doet een stap naar voren.

Lianne: „Zodra de kassa openging, vloog hij over de balie.”

Jan: „Ik probeerde het geld te pakken. Om haar af te schrikken liet ik mijn mes zien.”

Zij: „Ik schrok me kapot.”

Hij: „Ze pakte het mes beet.”

Zij: „Een afwerende beweging.”

Hij: „Had ik niet op gerekend. Ik trok het mes terug, waardoor ze haar hand openhaalde.”

Zij: „Bloed op de balie.”

Hij: „Ik heb me meteen omgedraaid en ben weggerend. Zonder het geld.”

Zij: „Het eerste wat ik dacht: nu heb ik dus een overval meegemaakt.”

Hij: „Ik fietste zo hard als ik kon naar huis. Vol stress. Bang dat mijn ouders iets zouden merken, liep ik meteen door naar mijn kamer.”

Jan woont dan nog thuis, in een gezin van tien kinderen.

Lianne woont een dorp verder, met haar man en twee dochters. Na de overval blijft ze werken. Ze denkt dat dat gewoon kan.

Maar Lianne krijgt huilbuien. Haren beginnen uit te vallen. Ze slaapt nog maar twee uur per nacht. Telkens opnieuw ziet ze die jongen met dat mes over de balie springen. Dan schrikt ze wakker en ruikt ze haar stinkende zweet.

Jan wordt opgepakt in dezelfde maand dat hij de overval pleegde. Zijn compagnon heeft hem verlinkt. Jan bekent. Hij had geld nodig, zegt hij tegen de politie. Jan is zich op dat moment niet bewust van de impact die de overval heeft op de kassabediende. „Ik had geen idee wat ik had veroorzaakt. Het enige waar ik me rot over voelde, was dat ik haar hand had opengehaald.” Jan wílde er ook niet over nadenken. Hij wist dat hij zich er alleen maar slecht over zou voelen.

Maanden na de overval huilt Lianne nog steeds veel, soms wel een paar uur achter elkaar. Thuis is ze afwezig. Als haar dochters met haar praten, luistert ze niet. Ze kan zelfs niet meer winkelen. Al die geluiden. Ze wil geluiden kunnen onderscheiden, om te horen of ergens gevaar dreigt. Lianne was met haar gedachten op een andere planeet. „Ik functioneerde niet goed als werknemer, als echtgenote en als moeder.”

De tweede ontmoeting

Hij loopt de rechtszaal binnen, met twee agenten aan zijn zijde. Hij kijkt naar de publieke tribune. Achter kogelwerend glas zitten zijn ouders, ziet hij, en zijn zus. Fijn dat ze voor hem gekomen zijn. De caissière van het tankstation zit er ook. Hij kijkt haar kort aan.

Hij: „Ik zag haar huilen.”

Zij: „Ik wist niet wat er gebeurde toen hij de rechtszaal binnenkwam. Al mijn lichaamsdelen trilden. Alles, zelfs mijn onderkaak. Ik was bang voor hem.”

Hij: „Ze was best wel overstuur.”

Zij: „Het is goed dat ik hem dáár voor het >> >> eerst zag na de overval. Ik weet niet hoe het was afgelopen als ik hem na zijn vrijlating op straat was tegengekomen. Tijdens mijn spreekrecht kon ik vertellen wat hij mij heeft aangedaan.”

Hij: „Ze bleek veel stress te hebben en kon niet meer slapen. Dat vond ik erg om te horen.”

Zij: „Ik las het op van een A4’tje, maar door de tranen kon ik niet meer lezen. Overal kwam snot uit. Ik vocht me er doorheen. Vooraf had ik gehoord dat als ik zou stoppen, de rechter mijn verhaal zou afmaken. Dat wilde ik niet. Ik had zoiets van: jij krijgt te horen, uit mijn keel, wat je mij hebt aangedaan.”

Hij: „Ik zag dat haar emoties echt waren.”

Zij: „Hij draaide zich om naar me. Dat vond ik vreemd genoeg heel fijn.”

Hij: „Deed ik uit respect.”

Zij: „Het raakte hem. Ik zag op zijn gezicht een schrikreactie van hier tot Tokio.”

Hij: „Toen pas besefte ik hoe vreselijk het voor haar geweest moet zijn. Ik voelde me heel schuldig. Wat voor straf ze me ook zouden geven, ik zou het verdiend hebben.”

Jan kreeg een jaar gevangenisstraf.

Lianne ging in therapie.

Ze wilde niet dat „twee van die snotjongens” haar leven zouden bepalen. De behandeling die EMDR heette, was er speciaal voor bedoeld om trauma’s te verwerken. Lianne leerde zich te concentreren op fragmenten van de overval. De binnenkomst. De kassa die openging. De bedreiging. Het mes. Iedere seconde haalde ze terug in haar hoofd, alsof ze filmfragmenten aan het afspelen was. En iedere keer dat ze een fragment terughaalde, werd ze een beetje rustiger.

Na de eerste sessie plofte ze neer op de bank en sliep zes uur lang. Haar langste slaap sinds de overval. Na driekwart jaar had Lianne haar emoties onder controle. „Mijn zweet begon weer normaal te ruiken.”

Maar Lianne had nog steeds geen antwoorden. Tijdens de rechtszaak had haar overvaller kort gesproken over zijn motivatie. Jan had de rechter verteld dat hij in geldnood zat en daarom het benzinestation wilde overvallen. „Ik dacht: jeetje, wat is hij nog jong in zijn denkwijze”, zegt Lianne. „Ik kon me niet voorstellen dat je zoiets impulsiefs doet als je in geldnood zit. Er moest meer zijn.”

Dan krijgt ze een brief. De overvaller heeft via de stichting Slachtoffer in Beeld een gesprek met haar aangevraagd. Jan wil uitleggen hoe hij tot zijn daad is gekomen.

Hij: „Het idee om een gesprek aan te gaan, kwam van de reclassering. Ik moest er even over nadenken.”

Zij: „Wilde ik hem eigenlijk wel zien?”

Hij: „Maar ik dacht: als het haar kan helpen met het afsluiten van de gebeurtenis, waarom zou ik dat niet doen?

Zij: „Jij hebt mijn hulp nodig, las ik uit die brief. En wie ben ik om hulp te weigeren?”

Hij: „Het minste wat ik voor haar kon doen, was uitleg geven.”

Zij: „Als je anderhalf jaar na de overval nog steeds tegenover je slachtoffer durft te gaan zitten, stel je je kwetsbaar op. Dan heb je de mentaliteit om nog iets te maken van je leven.”

Hij: „Dus het gesprek kwam er.”

Derde ontmoeting

Hij geeft haar een hand. Fijn dat je gekomen bent, hoort hij zichzelf zeggen. Zijn stem trilt. De bemiddelaar zet een glas water op tafel. Hij gaat zitten. Er zit nu maar zestig centimeter tafel tussen hem en zijn slachtoffer. Hoe boos zou ze zijn? Zou ze gaan schreeuwen? Hij merkt dat hij een beetje bang voor haar is.

Zij: „Je kon de spanning voelen.”

Hij: „Vooral in het begin.”

Zij: „Hij nam als eerste het woord, dat hadden we met de bemiddelaar afgesproken.”

Hij: „Ik heb mijn kant van het verhaal verteld.”

Zij: „Hij was... heel open.”

Hij: „Ze vond het fijn om met mij te praten, merkte ik.”

Jan vertelt Lianne dat hij in een gereformeerd gezin opgroeide, in een gereformeerd dorp.

Hij vertelt Lianne dat hij worstelde met zijn homogevoelens. Dat hij al op jonge leeftijd wist dat hij op jongens viel, maar het „afschuwelijk” vond om homo te zijn. Nooit wilde hij „zo’n verwijfd type worden”. Zijn ouders zouden het ook niet goed vinden. Jan had de coming out van zijn broer meegemaakt. Moeder was overstuur geraakt. Als zijn broer een relatie met een man zou aangaan, zou hij het huis worden uitgezet.

Door „heel veel te zoenen met meisjes” probeerde Jan zijn homoseksualiteit op te lossen. Dat lukte niet. Zoenen met meisjes bleef vies.

In de kroeg vond Jan een andere oplossing: de gezelligheid van zijn vrienden. Iedere avond zuipen. Hij dronk op doordeweekse dagen zeker vier biertjes, in het weekend veel meer. Jan kon het niet betalen, maar dat gaf niet. Hij zette het gewoon op de rekening van de kroeg.

Zo kreeg Jan rekeningen van honderden euro’s. Hij was inmiddels van de middelbare school gestuurd vanwege wangedrag, en werkte in een magazijn. „Als het loon binnenkwam, betaalde ik gelijk mijn rekeningen af.”

Zelf hield hij geen geld meer over. In een maand waarin al zijn geld op was, vertelde hij over zijn probleem tegen een vriend van het magazijn. Zijn nieuwe loon zou pas over twee weken komen: hoe moest hij de maand nu doorkomen?

Dan plegen we toch een overval, hadden ze bedacht. Nog diezelfde avond kochten ze een mes en fietsten ze naar het tankstation.

Natuurlijk wist Jan wel dat het „slecht” was, wat hij ging doen. Juist daarom dacht hij er niet te lang over na. Hij wilde zich niet weer slecht gaan voelen. Zo voelde hij zich altijd al, als hij bezig was met zijn homogevoelens. Nu wilde hij alle negatieve >> >> gedachten uitbannen. Straks heb ik weer geld, dacht Jan, en dan zal het vast beter gaan.

Het was nooit zijn bedoeling geweest om een slachtoffer te maken, zei Jan tegen Lianne. En het speet hem enorm dat het toch was gebeurd.

„Het maakte veel indruk op me”, zegt Lianne.

Jan: „Ik had de behoefte om het haar te vertellen”.

Zij: „Hij gooide zijn hart open.”

Hij: „Ze zei dat ze nu begreep waarom ik die overval had gepleegd.”

Zij: „Begrip is een groot woord. Ik vind het nog steeds niet oké. Maar ik snap wel waar het vandaan komt.”

Hij: „Er werd niet gehuild, niet gescholden.”

Zij: „Tegen het einde zei ik tegen hem: ik zal dit nooit vergeten en ik hoop dat jij dit nooit meer iemand aandoet. Maar ik wil het je wel vergeven.”

Hij: „Het was hartstikke mooi dat ze dat zei.”

Zij: „Wat er toen gebeurde in die kantoorkamer, was erg vreemd. Je zag zijn uitdrukking veranderen. Ik voelde een golf van warmte.”

Hij: „Het was doodstil.”

Zij: „Er viel iets van die jongen af. Ik schrok er zelf van. Hij kreeg een bepaalde glans terug in zijn ogen.”

Hij: „Heeft me heel goed gedaan.”

Na het gesprek geven ze elkaar een hand en lopen samen naar buiten.

Hij: „Officieel mag dat niet eens. Het slachtoffer blijft normaal gesproken nog even zitten na het gesprek.”

Zij: „Maar wij liepen met z’n tweeën het gebouw uit. Ik dacht: dit is debiel. Ik loop nu samen met hém de trap af.”

Hij: „We lachten.”

Ze hebben elkaar daarna niet meer gezien.

Hij: „Ik weet ook niet of dat er nog van gaat komen.”

Zij: „Ik zou hem nog steeds niet uitnodigen op de koffie.”

Hij: „Het is nu gewoon afgesloten.”

Zij: „Ik voel geen wrok of angst meer. Jan is voor mij nu gewoon een jongen die in een puinhoop leefde en zijn leven probeert terug te krijgen.”

Hij: „Ik ben goed bezig. Ik heb nu een vaste baan en een vaste vriend. Het contact met mijn ouders gaat steeds beter.”

Zij: „Van een verschrikkelijke rot-ervaring is iets heel moois gekomen.”

Hij: „Door mijn excuses aan te bieden, heb ik de gebeurtenis een plekje kunnen geven.”

Zij: „Sorry is maar een woord. Spijt betuigen is pas als je jezelf laat zien. Dat heeft hij gedaan.”<<