Bepalen herkomst is heidense klus

Zes herkomstdeskundigen bestuderen de in beslaggenomen verzameling van Cornelius Gurlitt uit München. De verzamelaar, vader Hildebrand Gurlitt, heeft het ze niet makkelijk gemaakt.

Adolf Hitler verwoordde in 1937 de inzet van zijn cultuurpolitiek: „Kunstwerken die niet kunnen worden begrepen zonder een pretentieus instructieboek om hun bestaan te rechtvaardigen, zullen nooit opnieuw hun weg naar het Duitse volk vinden.” De maatregelen waren niet gering. Duitse musea moesten 21.000 kunstwerken van moderne meesters afstaan, bijna 5.000 daarvan gingen op de brandstapel en de rest werd voor vreemde valuta verkocht.

Maar het duizendjarige rijk kwam er niet en het realisme dat Hitler zo hogelijk waardeerde, was na de oorlog besmet. De kunst die de nazi’s „ontaard” noemden, steeg snel in aanzien, waardoor kenners van die kunst vanaf 1945 snel carrière konden maken. Ook als ze hadden geprofiteerd van het naziregime.

Hildebrand Gurlitt was één van hen. Ondanks een Joodse grootmoeder, had hij van de nazi’s in foute kunst mogen handelen. Hij was zelfs opgeklommen tot een van de inkopers van het nog op te richten Führermuseum in Linz. Na de oorlog ontpopte hij zich tot een gevierd directeur van een museum voor hedendaagse kunst, in Düsseldorf. Zijn verzameling exposeerde hij internationaal, op door de Bondsrepubliek gesponsorde tentoonstellingen. Na zijn dood werd in Düsseldorf een straat naar hem genoemd: de Gurlittstrasse.

De inwoners van die straat zullen zich inmiddels afvragen of die naam blijft: in februari 2012 zijn 1.406 kunstwerken uit zijn nalatenschap gevonden in het appartement van zijn zoon Cornelius. Duitse autoriteiten namen de werken in beslag, stelden deze week zes kenners aan om de herkomst te bestuderen en hebben inmiddels 25 werken van dubieuze afkomst op het internet gezet en zullen dat komende week met nog eens 590 werken uit de verzameling doen.

Al uit de eerste 25 blijkt dat Gurlitt handelde in kunst die Joodse verzamelaars moesten inleveren of onder druk verkochten. Zo kwamen maar liefst 13 van de 25 werken uit de verzameling van Fritz Salo Glaser, een joodse jurist uit Dresden, de stad waar ook Hildebrand Gurlitt woonde.

Glaser ontkwam aan transport, in de chaos van het geallieerde bombardement op Dresden. Hij stierf in hetzelfde jaar als Gurlitt, 1956. Hij dacht dat de kunst die hij had moeten verkopen om te overleven verloren was gegaan tijdens het bombardement. De weduwe van kunsthandelaar Gurlitt beweerde tegen Joodse erfgenamen dat hetzelfde was gebeurd met haar mans collectie. In werkelijkheid is die verzameling blijven bestaan, met werken die Glaser hadden toebehoord.

Dat Gurlitts weduwe jokte, betekent niet dat de collectie-Gurlitt geheel bestaat uit roofkunst. Werken met een heikele levensgeschiedenis staan in het depot van de Beierse opsporingsdienst naast werken met een gelukkige jeugd en geschiedenis. Zo kocht Gurlitt regelmatig direct van kunstenaars, uit hun atelier, al vanaf de jaren twintig. Ook had hij geërfd van zijn vader, een kunst kopende architect. Bovendien kocht hij vaak zelf uit de voorraad die hij namens nazi-Duitsland diende te verkopen aan buitenlanders. Dat mocht, zolang hij maar betaalde in buitenlandse valuta.

Na de oorlog hebben Duitse musea besloten niet achter de werken aan te gaan die handelaren als Gurlitt aan buitenlanders hadden verkocht. Het geeft geen pas, zo is de redenering, dat instellingen die gesteund worden door de Duitse overheid kunst terugeisen die dezelfde Duitse regering – onder een ander gesternte – zelf liet verkopen. Het zijn werken die vaak in Amerikaanse musea zijn beland. Als die rechtmatig eigenaar zijn, oordeelt de Beierse fiscale opsporingsdienst, dan geldt dit ook voor de 384 kunstwerken die Gurlitt op deze manier heeft verworven.

Toch is het niet zo simpel, zo weten de zes herkomstdeskundigen die met de verzameling aan de slag zijn gegaan. Want lang niet altijd waren de geconfisqueerde werken eigendom van de musea. Er zaten ook bruiklenen bij. Neem het wereldberoemde schilderij van Paul Klee, Moeraslegende, uit 1919, dat vandaag een veilingwaarde heeft van boven een miljoen euro. Sophie Lissitzky-Küppers leende het uit aan het museum in Hannover, waar het in 1937 in beslag werd genomen. Via Gurlitt belandde het in het Lenbachhaus in München.

Welke werken in Gurlitts verzameling een soortgelijke geschiedenis kennen is moeilijk na te gaan, omdat de fanatieke nazi Franz Hofmann eiste dat geconfisqueerde werken van alle opschriften werden ontdaan die konden leidden naar eerdere eigenaren.

Wat het herkomstonderzoek ook compliceert is dat Gurlitt groot inkocht. Zo ruilde hij in december 1940 acht schilderijen van romantici voor maar liefst 105 schilderen en 933 prenten van Duitse expressionisten als Ernst Ludwig Kirchner. Tien dagen later verwierf hij 1.723 aquarellen en tekeningen, onder meer van Emil Nolde, voor een habbekrats. En een jaar later nog eens 993.

Bovendien zag Gurlitt er geen been in valsheid in geschrifte te plegen om zijn kunst te behouden, na de oorlog. Zo vertelde hij de Amerikanen dat het schilderij Twee ruiters op het strand naar links al van zijn vader was geweest. In werkelijkheid was het schilderij, dat de Joodse kunstenaar Max Liebermann (1847-1935) aan de Nederlandse kust heeft geschilderd, tot ten minste 1939 nog in bezit van David Friedmann, een Joodse zakenman. In dat jaar schrijft een ambtenaar aan minister van Wetenschap Walther Funk dat het werk in het buitenland tot zo’n 15.000 rijksmark kan opbrengen. En: „de Jood Friedmann mag het niet verkopen”.

Friedmann stierf in 1942, zijn gezin werd omgebracht in Auschwitz. In 1945 heeft Gurlitt het schilderij bij zich in slot Aschbach, waar de geallieerden hem eventjes onder huisarrest plaatsen. In 1954 leent hij het uit aan de Kunsthal in Bremen, voor een Liebermann-overzichttentoonstelling. Gurlitts naam prijkt in de catalogus. In 1960 leent zijn weduwe Helene het nog één keer uit, voor een expositie in Wenen. Daarna bleef het bij de Gurlitts. De vermoedelijke huidige veilingwaarde is 200.000 euro.

Twee jaar geleden hebben de erven van Friedmann het werk opgegeven als vermist, op de website lostart.de. Een half jaar later dook het schilderij op, in het appartement van Cornelius Gurlitt. Vorige week deelde de Beierse justitie mee het werk te hebben ‘gevonden’. Tegelijk: was het werk wel echt zoek? Kenners wisten: het behoort tot de collectie Gurlitt. Erfgenaam: Cornelius.