Arnold en Vera D

Fictie

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal.

Deze week: een verhaal van Pepijn Lanen, ook bekend als Faberyayo van De Jeugd van Tegenwoordig. Zijn literaire debuut, de verhalenbundel Sjeumig, is net verschenen.

it is het, hè?’ zei Arnold.

‘Ja, ik denk het wel, ja,’ antwoordde Vera.

‘Zouden wij de enigen zijn die het weten?’ sprak wederom Arnold.

‘Ik kan het me haast niet voorstellen.’

Een moment geleden had Arnold het plan opgevat om maar weer eens de discussie aan te gaan dat iedereen die vindt dat ‘ze niet meer gemaakt worden zoals “Hotel California”’, een paar klap pen met de vlakke hand op het achterhoofd zou moeten krijgen.

De emoties die bijvoorbeeld ‘Inspector Norse’ van de moeilijk uitspreekbare Scandinavische knip-en-plak-dj Todd Terje bij hem opriepen, waren iets waar die hele Eagles op geen enkele manier aan konden tippen. Daar kwam nog bij dat David Crosby het ook een kutband vond. Een sterker argument kon wat Arnold betrof niet gemaakt worden, op muziekgebied. Niet dat hij iets had tegen ‘Hotel California’, o nee. Zeker niet. Maar de notie dat er daarna nooit meer iets van eenzelfde statuur of groter voortgebracht was door de gehele wereld aan musici, maakte hem zo razend dat hij er van tijd tot tijd een beetje misselijk van werd, en soms zelfs wat stro overgaf in zijn bek. Gelukkig kon hij dan gewoon beginnen te herkauwen en het proces van voren af aan in werking zetten.

Het was een lange rit achter in de veewagen, en men stond nogal dicht op elkaar, dus het was, zo meende Arnold, maar beter om te trachten er het beste van te maken. Zijn gesprekspartner Vera was wel in voor een eindeloos keuvelgesprek met betrekking tot muziek en aanverwante vluchtigheden, en het was dan ook daarom dat hij bijna hierover begonnen was. Echter vlak voordat hij zijn runderbek opende werd hij overvallen door een gevoel. Een aantal ogenblikken stonden zijn gedachten op pauze en kwam het in golven over hem heen.

Toen Arnold de ogen weer opende was alles ineens heel helder en vreedzaam in zijn gedachten. Alsof een psychische tuinman met een hark die hele hersentuin van hem netjes van het onkruid had ontdaan en om had geharkt. David Crosby, zijn snor en vleespet incluis, was verdwenen uit het vruchtbare veld van zijn intellect, en uit de grond ontsproten kleine groene sprietjes die riekten naar zinvolschap. Hij wierp een blik op zijn gesprekspartner Vera, en herkende in haar blik een exact zelfde gevoel.

Arnold wierp een blik in de verte, over de uitgestrekte weilanden die zij achter in de truck passeerden. Als ware hun veevervoervrachtwagen een locomotief op een spoor, vervaardigd van een eindeloze strook asfalt die het landschap doorkliefde. De strook asfalt werd op zichzelf dan weer doorkliefd door een eindeloze witte stippellijn, maar dat is weer een heel ander verhaal.

Toen zijn ogen uiteindelijk de horizon bereikten werd hij andermaal overspoeld door gevoel. Dit was het. Het einde der tijden. Aangebroken zonder dat wie dan ook het door had gehad. Jarenlang hadden verschillende fracties van mensen woest gediscussieerd over de aard, het hoe en waarom, het ‘of het wel überhaupt’, het ‘hoe dan’, en het ‘wie zijn schuld gaat het zijn’ hiervan. Maar niemand, geestelijken noch politici noch wetenschappers, noch volslagen gestoorde psychanten, had het bij het juiste eind gehad. Niks geen broeikaseffect, geen wegvoering, geen apocalyps en ook geen atoombommen. Het was rond kwart over vier in de namiddag, en over een uurtje of twee was het afgelopen. Klaar. Punt.

De realisatie bleek niet alleen besteed aan Arnold en Vera. De andere runderen bleven mak hun stro kauwen dan wel herkauwen, zittend dan wel liggend. Een korte inspectie bevestigde een zelfde blik in ieders ogen.

‘Moeeeeeeh’, klonk ergens uit de wandelende biefstukkenmassa.

‘Moeeeeeeh’, weerklonk het weer uit een andere hoek.

Waarschijnlijk een gesprek over The Carpenters, dacht Arnold bij zichzelf, maar hij kon het dialect niet helemaal plaatsen, dus het had net zo goed het nature/nurture-debat kunnen betreffen. Of iets over Ajax.

Vera manoeuvreerde haar koeienlichaam zo goed en zo kwaad als het ging iets meer richting het raampje dat de bestuurder van de veewagen inzicht verschafte tot wat zich allemaal afspeelde in het rundergedeelte van de truck, en koekeloerde wederom zo goed en zo kwaad als het ging wat in de richting van de eerdergenoemde bestuurder. Hij zat er kalmpjes bij. Hij droeg een fluorescerend hesje over een geblokt overhemd met een pakket draaitabak in de borstzak. Zijn haren waren gescheiden aanwezig op zijn hoofd en netjes zowel de ene kant als de andere kant op gekamd. Ook in de blik van de bestuurder was hetzelfde gevoel van bestemming te ontwaren.

Op de radio werd het nieuws voorgelezen, maar er ontbrak nog meer dan normaal urgentie in de berichten. Alles klonk afrondend en in de stem van de nieuwslezer was vooral een tevredenheid met betrekking tot alles te voelen.

De smartphone van de bestuurder ging af en toe over, maar hier keek hij niet bepaald van op of om. Hij bleef immer strak vooruit turen, naar de zon die daar langzaam een beetje naar beneden aan het zakken was richting de horizon die de hemel van het weiland scheidde, als een bejaarde die zichzelf heel langzaam een lauw bad in laat zakken. Of zo heel langzaam zichzelf in een fauteuil of een bankstel laat zakken.

In plaats van paniek was er in Vera’s hoofd slechts kalmte. Zij had zich nog nooit zo levend gevoeld, realiseerde zij zich plotsklaps. Even overwoog zij het uit te loeien alsof het een lieve lust was, maar algauw nam het gevoel van zen weer al haar impulsen over. Ergens naast een slootje sloeg zij een familie bevers gade die heerlijk op hun rug lagen te genieten van het zonnetje, turend naar de hemel.

Iets verderop passeerde de truck een ouderwets boerderijtje met zo’n guitig rieten dak dat volledig in de hens stond. Buiten stond een boerengezin hand in boerenhand toe te kijken en te glimlachen. Alles was alles en niets was niets. Betekenissen verloren hun betekenis en er was nog weinig anders over dan het laadruim van de veewagen en de uitgestrekte velden.

‘Nog een keertje ballen?’ opperde Arnold.

Why the hell ook not?’ zei Vera. En terwijl Arnold Vera onhandig beklom in de toch al redelijk krappe ruimte, reden zij de zon tegemoet.

Uit de bestuurderscabine weerklonken de klanken van ‘Hotel California’.