Zelfs de vogels zijn het spoor bijster

Een pittige ziektegeschiedenis, verteld in 43 korte en beeldende hoofdstukken en geschreven met veel droge humor, laat vooral zien hoe lastig en eenzaam het is om te leven tussen hoop en vrees.

Fragment van het Lam Gods (1432) van de gebroeders Van Eyck

Stijf en oerburgerlijk. Dat was het beeld dat Jannie Regnerus in haar vorige roman, De ent (2010) gaf van het leven op het Friese platteland, in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Een plek om zo snel mogelijk van weg te willen, hoe weids ook de omgeving en hoe mooi ook de wolkenluchten. Een van de weinig lichtpuntjes vormde ‘pake’ met zijn ‘groene pretogen’, aan wie een weemoedige episode was gewijd. Hij wist, anders dan de meeste stugge streekgenoten, het leven te vieren – totdat hij begon af te takelen en door zijn kinderen een troosteloos ‘zorghuis’ werd ingeloodst.

Het lam, de nieuwe roman van Regnerus, speelt zich niet meer af op het platteland, maar in een naamloze stad, die erg op Haarlem lijkt. Er komt opnieuw een Friese opa in voor, die in een tehuis is beland. Hij wordt hier niet ‘pake’ genoemd, maar ‘de oude Joris’. De weemoedige, meelevende toon uit De ent ontbreekt deze keer.

De oude Joris en zijn demente medebewoners ‘klampen’ zich, zoals het zuinigjes heet, ‘aan het leven vast’, terwijl ze intussen ongegeneerd winden laten. ‘Hier zitten de valsspelers van de stoelendans bijeen’, staat er dan, ‘met hun magere oudemensenbillen houden ze de stoelen bezet terwijl de muziek allang weer speelt.’

Wat is hier aan de hand? Waar hebben de oude Joris en die andere sneue mannetjes in het verpleeghuis zo’n snerend onthaal aan verdiend? Hoofdpersoon Clarissa verzet zich hier tegen de wispelturige, tegendraadse loop die het leven soms neemt. Ze kan er eenvoudig niet over uit dat die krakkemikkige oudjes maar blijven doorleven met hun ‘kwijlmonden’ en hun ‘heksenvingers’. En dat terwijl haar 5-jarige zoontje Joris, vernoemd naar de taaie oude baas, nierkanker heeft, chemokuren moet ondergaan en voor zijn prille leven moet vrezen.

In 43 korte en beeldende hoofdstukken voert Regnerus ons door een pittige ziektegeschiedenis: van het eerste symptoom (bloedplassen) tot en met de laatste, misselijkmakende chemokuur. Die ziektegeschiedenis staat in het teken van het lijdensverhaal. Het begint met paaseitjes zoeken in het bos en het eindigt in Gent, met een bezoek aan Het lam Gods, het drieluik dat de gebroeders Van Eyck in 1432 schilderden.

De kleine Joris wordt herhaaldelijk in verband gebracht met paas- en slachtlammeren. Net als het offerlam op het drieluik wordt hij in de roman vereeuwigd, in al zijn aandoenlijke kwetsbaarheid. En net als het geschilderde lam, dat nog altijd op zijn vier pootjes staat, en de vele toeschouwers eeuwen later nog altijd fier aankijkt, wordt ons ook Joris voorgesteld als een toonbeeld van levenslust. Hij wordt op de proef gesteld, net als Jezus, maar hij staat uiteindelijk weer op, en vervolgt zijn leven. Dit klinkt misschien wel wat stichtelijk en vroom, maar het aantrekkelijke van Het lam is nu juist dat het zo aards is, en zo doordrenkt van maar al te menselijke gevoelens – van jaloezie, woede en angst.

Het lam speelt zich af tussen hoop en vrees. Aan de ene kant probeert Clarissa de ellende zo veel mogelijk op afstand te houden door woorden als tumor en kanker niet in de mond te nemen. ‘Alleen het uitspreken op zichzelf is al een uitzaaiing.’ Aan de andere kant ziet ze overal om zich heen tekenen van ziekte, bederf en dood. Een onschuldig meterhuisje ziet er na de jobstijding ineens uit als een tank, die elk moment een bres kan slaan in de muren van het huis. Een kastanjeboom hangt van de ene dag op de andere vol met gezwellen. In woonhuizen staan geen vazen, maar zwarte urnen voor het raam en het ziekenhuis waar Joris wordt behandeld ‘rijst als een zerk’ op tussen de woonerven.

In alle geuren en kleuren, met veel droge humor ook, laat Regnerus ons een wereld zien die nog maar weinig zekerheid biedt. Alles is van slag. Zelfs de vogels in de achtertuin zijn het spoor enigszins bijster. Als er midden in de nacht een autoalarm afgaat, begint een ‘afgetroefde merel’ van schrik maar alvast ‘met zijn hele ochtendriedel.’ Opvallend is verder, zoals ook al te zien was bij de demente bejaarden, hoe weinig medeleven er wordt getoond met andere hulpbehoevenden. Als Joris, als kankerpatiëntje, op een bijzonder tijdstip naar Artis mag, is zijn moeder onaangenaam verrast bij de aanblik van tientallen andere, zieke kinderen, met wie ze achter de hekken moesten oplijnen.’ Ik neem het Regnerus niet kwalijk dat Het lam geen gezellige feelgood-roman is geworden, met bemoedigende peptalk, waarin lotgenoten solidair de handen in elkaar slaan. In dit hoekige, grimmige lijdensverhaal, waarin een nietsontziende moeder waakt over haar zieke kind, liggen de kaarten geschud: het is hier ieder voor zich en God voor ons allen.