Woeste Wadden in een huiveringwekkende zee

Een barre rij zandplaten met een achterlijke bevolking, een wild en woest gebied met altijd een diepe sterrenhemel, pikdonkere nachten en een zee die ‘brandt’ door de verraderlijke getijdengeulen met golven die zwiepen en zwalpen: dit is het barokke beeld dat Mathijs Deen (1962), redacteur en presentator van het VPRO-radioprogramma OVT, oproept van het Waddengebied. In De Wadden werpt hij een ongewoon licht op de historie van deze eilanden. Hij maakt er een bijna on-Hollands gebied van, waarover hij schrijft als in een oude Scandinavische saga. Boeiend en meeslepend, maar ook apart. Zo hebben we nooit eerder over de Wadden gelezen.

Het gaat Deen niet om de eilanden apart, maar om een geïsoleerd eilandenrijk waarin de zee een huiveringwekkende, onheilspellende hoofdrol speelt.

Hij begint bij de laatste IJstijd en reist hij via de Romeinen en Vikingen, de Gouden Eeuw, de walvisvaarders tot aan de komst van de eerste badgasten op de eilanden aan het eind van 19de eeuw.

Daarna houdt het boek enigszins abrupt op. Het verleden boeit hem meer dan het heden. Daarom komen we wél Jac. P. Thijsse tegen en niet Jan Wolkers, wél de walvisvaarders, nauwelijks wadlopers, laat staan recentere kunstzinnige ontwikkelingen als Oerol of The Great Wide Open.

Gelukkig schenkt hij wél aandacht aan de gevolgen van de Afsluitdijk voor het Waddengebied en de verlanding die het gebied bedreigt. Ook komen een uitbundig geschreven vertoog over rotganzen tegen en een bijna idyllische evocatie van het gebied tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het begrip ‘nieuwe natuur’, die hersteld zou worden bij de Slufter, komt terecht aan de orde. Wat mist is het plan eind van de 19de eeuw om de Waddenzee te bedijken en te verbinden met het vasteland.

Deens taalgebruik wemelt van de adjectieven, het boekje is bij vlagen slordig, waardoor zinnen soms ontsporen. Kaarten zijn slordig (zo staat bijvoorbeeld de naam van het eilandje Griend opeens midden in Friesland). Daartegenover staat een verrassende en briljante beschrijving van de schipbreuk die de jonge Duitse onderzoeker Heinrich Schliemann lijdt bij Texel in 1841.

In de visie van Deen is Schliemann een dromer die, ginds op Texel, visioenen krijgt van de ontdekking van Troje. Het is alsof Deen zich met Schliemann vereenzelvigt als hij schrijft over deze schipbreukeling die een schatgraver werd ‘met ruime fantasie’, op zoek naar een mythische wereld.

Kester Freriks