Wie is toch die man langs de lijn?

Bij mijn wedstrijden is nooit zoveel publiek. Ik fluit nog maar net, en op dit niveau staat er meestal maar een handjevol aanhang. Vaak zijn het vrienden of familie van de spelers, een enkele keer besluit een doorgaans trouweloze vriendin om haar wederhelft richting een doelpunt te gillen.

Scheidsrechters worden niet aangemoedigd. Niemand juicht voor de man in het zwart als hij weer eens fantastisch de voordeelregel toepast, een volkomen terechte gele kaart geeft of uiterst scherp buitenspel constateert. Niemand – op een incidentele rapporteur van de bond na – komt speciaal voor de scheids naar het voetbalveld. Behalve vandaag.

Vlak voor de aftrap zie ik hem staan. Ik heb de gezichten op de pasjes gecontroleerd, wens de aanvoerders een sportieve wedstrijd toe en kijk opzij. Onze blikken kruisen elkaar. Hij houdt zijn rechterhand voor zijn buik en steekt de duim ervan kort maar gedecideerd omhoog. „Succes, jongen!” betekent dat. Ik antwoord met een alleen voor hem waarneembaar knikje.

De wedstrijd is begonnen, nu kijk ik enkel nog naar de bal en de spelers. Ik ren en ik fluit. Halverwege de eerste helft geef ik een strafschop na een handsbal. Die beslissing is enigszins discutabel, en behalve de spelers roeren ook de weinige toeschouwers zich. Mijn ogen gaan voor het eerst weer even naar de kant, naar hem. Hij staat zwijgend naast die paar opgewonden supporters. Ik zie een kleine glimlach en voor de tweede maal dat kordate duimpje.

In de rust, als ik van het veld wandel, komt hij naast me lopen.

„En?”, vraag ik.

„Prima wedstrijd”, zegt hij.

Ik klaag over het lage niveau.

„Ach.” Het interesseert hem niet zo. Hij is hier niet voor de weergaloze passeerbewegingen, de grandioze doelpunten of de ultieme reddingen. Hij is hier alleen maar voor mij.

Een eeuwige vrijwilliger overhandigt me de sleutel van mijn kleedkamer. Ik doe de deur open, kijk vluchtig om het hoekje. Leeg, geen andere scheids. De kust is veilig. „Kom je mee?”, vraag ik.

Een tikkeltje terughoudend volgt hij me naar binnen. Hij gaat op een stoeltje zitten, ik rommel wat in mijn tas. „Banaantje?”

We pellen, we eten en we zwijgen. Ik denk aan vroeger, aan heel lang geleden. Een F-pupilletje was ik, nog maar nauwelijks zes jaar oud. Als ik in het veld stond en naar de zijlijn keek, stond hij er. Na mijn blunders bleef hij onbewogen, na mijn heldendaden maakte hij dat onsterfelijke handgebaar.

„Pap”, zeg ik, „ik moet weer beginnen.” We staan op. Mijn vader gooit de schillen in een viezig vuilnisbakje in de hoek.

Nog een hele helft te gaan. Ik hoop op minimaal drie duimpjes.