Wanhopig op zoek naar het grote verband der dingen

De grootvader van Paul Scheffer was een Joodse emigrant uit Duitsland, die over de grote levenskwesties publiceerde en met schrijvers als Thomas Mann correspondeerde.

De familie Wolf (in het midden) met buurkinderen op Schouwen, 1928 Foto uit besproken boek

‘Latijn kent latijn’, zeiden ze vóór de Tweede Wereldoorlog in academisch gevormd Nederland. Die uitdrukking sloeg vooral op het wereldje van dominees, professoren en hbs- en gymnasiumleraren, die elkaar zo niet van de universiteit dan wel uit elkaars geschriften kenden. Herman Wolf, de grootvader van publicist Paul Scheffer, behoorde tot dat groepje. Als leraar Duits aan de Openbare Handelsschool in Amsterdam publiceerde hij in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw boeken en essays op het gebied van filosofie en klassieke Duitse literatuur. Ook correspondeerde hij met schrijvers als Thomas Mann, Stefan Zweig en Arthur Schnitzler.

Wolf behoorde tot de generatie intellectuelen die het humanisme als nieuwe religie omarmden en er na de Eerste Wereldoorlog tevens een pessimistische levenshouding op nahielden. Schopenhauer en Nietzsche waren hun helden. Hun denken werd bepaald op het breukvlak van twee eeuwen, waarin het mystieke plaatsmaakte voor het rationele, en oude waarden door nieuwe uitvindingen, opvattingen en kunstuitingen onderuit werden gehaald.

Scheffer heeft het korte leven van zijn grootvader, die op 49-jarige leeftijd aan een hersentumor overleed, in kaart gebracht in een goed geschreven biografie Alles doet mee aan de werkelijkheid. Herman Wolf 1893-1942. Behalve een aardig tijdsbeeld van de wereld van de Nederlandse intelligentsia in het interbellum, geeft hij daarin ook een impressie van een man die hij weliswaar nooit heeft gekend, maar die met al zijn getob van grote invloed is geweest op zijn eigen intellectuele vorming.

Herman Wolf wordt in 1893 geboren in een Joods gezin in Keulen. Zijn vader, Simon Wolf, handelt in hoeden en is een product van de geslaagde assimilatie van de Duitse Joden, die dankzij Napoleon geleidelijk aan volwaardige burgers konden worden. Als aan het einde van de negentiende eeuw de zaken niet goed gaan, en antisemitisme in Duitsland opnieuw de kop opsteekt, emigreert Simon met zijn vrouw en zoontje naar Nederland. In Amsterdam zet hij zijn zaak voort, met veel succes.

Simons privéleven heeft er onder te lijden. In 1917 gaan hij en zijn vrouw na jarenlange onvrede uit elkaar. Nog hetzelfde jaar hertrouwt Simon met een andere vrouw, bij wie hij een dochter, Ruth, verwekt. Ruth Wolf zal een bekende vertaalster worden van werk van Kafka en Thomas Mann.

Herman lijdt onder het slechte huwelijk van zijn ouders, die hem in 1907 in een pleeggezin stoppen. Hij is een dwarsligger, haalt met vijven en zessen de hbs-a, studeert Duitse letterkunde en filosofie in Bonn en Amsterdam en wordt leraar. Hij trouwt met een dochter van zijn pleegouders, met wie hij gelukkig is.

Die Duitse cultuur blijft Herman zijn hele leven fascineren, zoals dat bij veel geassimileerde Duitse Joden het geval was. Totdat de nazi’s in 1933 aan de macht komen, beschouwt hij zichzelf niet meer als Jood. Het Jodendom van zijn ouders heeft plaatsgemaakt voor Goethe, Schiller, Heine, Schopenhauer, Rilke en vooral Thomas Mann, met wie hij zich zo verwant voelt dat hij hem af en toe een brief schrijft.

Die briefwisseling lijkt, los van Scheffers persoonlijke fascinatie, de voornaamste legitimatie voor deze biografie. Want ook al neemt Herman Wolf deel aan het maatschappelijke debat van zijn tijd en verkeert hij in leidende intellectuele kringen, als essayist is hij niet zo bijster interessant. Eerder speelt hij een enthousiaste bijrol, zoals binnen het anti-nazistische Comité van Waakzaamheid.

Uit alles wat Scheffer over hem schrijft, blijkt dat Wolf behalve een aardige, ijverige man, ook een onrustige denker is, die, getekend door de Eerste Wereldoorlog, enigszins wanhopig een juiste levensfilosofie probeert te vinden. Tijdens die zoektocht wordt hij steeds zweveriger en belandt hij uiteindelijk in de parapsychologie, iets waar meer leden van zijn generatie toe werden verleid.

Menno ter Braak geeft een scherpe karakterisering van Wolf in zijn recensie van diens Nietzsche als religieuze persoonlijkheid (1934), dat hij bar slecht vindt. Wolf beweert volgens hem, in een slordig vaktaaltje, grote onzin: ‘De gemeenplaatsen zijn hier zo overtalrijk gezaaid, dat men er oprecht aan twijfelt, of dr Wolf wel eens anders dan in de schema’s van anderen heeft gedacht, of hij, de specialist in de philosophie, zich wel ooit rekenschap heeft gegeven van de woorden, waarvan hij zo critiekloos gebruik maakt. […] men zou hem moeten klasseren onder de ‘academische navertellers’ […].’

Scheffer, die deze kritiek deels vermeldt, maakt zijn grootvader belangrijker dan hij is. Maar dat stoort niet, want eigenlijk verdienen al die progressieve intellectuelen uit het interbellum zo’n monument als Herman Wolf nu heeft, alleen al omdat ze fatsoenlijk en menselijk probeerden te blijven terwijl een nieuwe barbarij op hen afstevende, en ze wisten dat ze het er tegen af zouden leggen.