Vrijheidsmissie van Amerika is uitgewerkt

Net als Kennedy wist Obama tallozen hoop te geven. Maar we verwachten te veel. Amerika’s status is door oorlogen afgenomen, meent Ian Buruma.

illustratie deng coy miel

Volgende week vrijdag vijftig jaar geleden werd Kennedy in Dallas vermoord. Niet zelden wordt deze tragedie door Amerikanen beschreven als het moment dat Amerika haar onschuld verloor. Dat is onzin natuurlijk. De historie van de VS is net als die van andere landen met bloed doordrenkt. Maar die drie Kennedy-jaren hebben een bijzondere glans gekregen. Het Amerikaanse prestige in de wereld was zelden hoger. Minder dan een half jaar voor zijn dood wist Kennedy massa’s Duitsers in Berlijn, de frontlinie in de Koude Oorlog, op te zwepen met zijn beroemde frase: Ich bin ein Berliner. Voor tallozen waren de VS een symbool van hoop en vrijheid. Kennedy en zijn First Lady Jackie hadden het imago van glamour, welvaart en jeugdige energie – net als Amerika zelf. Mensen keken op naar de VS als een toonbeeld van goedheid in een wereld vol kwaad. Aan dit beeld kwam een einde door de moord op Kennedy, op zijn broer Bobby, op Martin Luther King, en door de oorlog in Vietnam die Kennedy zelf op gang had gebracht. Het is onwaarschijnlijk dat de verwachtingen die hij met zijn verkiezing in 1960 had geschapen, zouden zijn uitgekomen als hij langer had geleefd. In 2008 leek het even alsof de verkiezing van een zwarte president, ook zo’n symbool van hoop en jeugdig enthousiasme, het Amerikaanse aanzien van de vroege jaren zestig had hersteld. Net als Kennedy wist Obama de geestdrift van Berlijners met een speech op te zwepen. En toen was hij nog niet eens president. Maar ook aan die hoge verwachtingen kwam een eind. De status van de VS is sterk gereduceerd. De nationale politiek is zo vergiftigd, met name door Republikeinen die Obama meteen al haatten, dat de democratie zelf in diskrediet is gebracht. De kloof tussen arm en rijk is zelden groter geweest. Qua infrastructuur beginnen de VS op een ontwikkelingsland te lijken; vergelijk alleen al de vliegvelden om New York met die van Peking of Shanghai. Wat betreft de buitenlandse betrekkingen worden de VS nu gezien als arrogante bullebak dan wel een aarzelende lafaard. Bevriende landen zijn woedend dat hun leiders worden bespioneerd. Anderen, in Israël bijvoorbeeld, zijn boos op wat zij zien als Amerikaanse slappe knieën. Zelfs Poetin, de leider van een corrupte autocratie, weet de Amerikaanse president op het internationale toneel te overtroeven. Het is makkelijk om voor dit alles de schuld te geven aan Obama, of aan Republikeinse dwarsliggers. Maar dit gaat voorbij aan het voornaamste punt over de Amerikaanse rol in de wereld. Het geknakte aanzien heeft alles te maken met de aard van het idealisme waardoor Kennedy zo populair was geworden.

Aanhangers van de Kennedy-mythe geloven nog steeds dat Kennedy de escalatie van de Vietnamoorlog zou hebben vermeden als hij langer had geleefd. Hiervoor is geen enkel bewijs. Kennedy was een overtuigde Koude Oorlogstrijder. Anti-communisme maakte deel uit van zijn idealisme. Dit waren de gevleugelde woorden van zijn inauguratierede: „We zullen iedere prijs betalen, iedere last dragen, elke ontbering doorstaan, iedere vriend ondersteunen, en elke vijand weerstaan, om het succes en de overleving van de vrijheid te verzekeren.”

De catastrofe in Vietnam gaf een deuk in de zelfgekozen missie om overal pal voor de vrijheid te staan. Bijna twee miljoen Vietnamezen kwamen om in een oorlog die niet eindigde in vrijheid. Maar de retoriek van de gewapende vrijheidsmissie kwam weer tot leven in een kleiner drama dan dat van Vietnam, namelijk de aanslagen van ‘9/11’. Er waren verschillende redenen waarom president George W. Bush besloot om oorlogen te beginnen in Afghanistan en Irak. Maar de taal die de neoconservatieve voorstanders van die oorlogen bezigden kwam uit het tijdperk van Kennedy: verspreiding van democratie, de missie om vrijheid te brengen, de universele gelding van ‘Amerikaanse waarden’. Een van de redenen dat Amerikanen voor Obama kozen, was dat deze missie andermaal had geleid tot de dood en ontheemding van miljoenen mensen. Als Amerikaanse politici het nu hebben over ‘de vrijheid’ dan denken mensen over de hele wereld snel aan massamoord, martelkamers en de constante dreiging van drones.

Het probleem van Amerika onder Obama zit in de contradicties van zijn leiderschap. Hij heeft zich duidelijk gedistantieerd van de missie om met militair geweld de wereld te bevrijden. De oorlog in Irak is voor de Amerikanen afgelopen, en dat zal spoedig ook zo zijn in Afghanistan. Bovendien – en dit is misschien zijn grootste verdienste – is hij niet gezwicht voor de verleiding Iran of Syrië te lijf te gaan. Diegenen die graag zien dat de VS zich overal inzetten als politieagent, vinden Obama daarom een laffe president die geen verantwoordelijkheid durft te nemen. Maar tegelijk gaat het groteske gevangenenkamp op Guantánamo onder Obama gewoon door. Klokkenluiders over spionage worden gearresteerd; drones bombarderen voort. En de status van de VS zakt steeds verder. Toch is Obama niet het voornaamste probleem. De moeilijkheid is de Amerikaanse hybris; het geloof in een nationale vrijheidsmissie die te vaak is gebruikt om onnodige oorlogen te ontketenen. Deze vorm van idealisme heeft ertoe geleid dat Amerikanen te veel van zichzelf verwachten. Tegelijk verwacht de wereld te veel van Amerika. Dat kan alleen maar leiden tot diepere ontgoocheling.