Vele vrouwen, dus ‘natte mouwen’

Dé klassieke roman uit de Japanse literatuur is voortreffelijk vertaald. De Genji, in het geniep geschreven door een 11de-eeuwse hofdame, gaat over de hofcultuur, het politieke spel, de intriges, de ceremonies, maar vooral over de prins-playboy Genji.

‘Genji is iets aparts. Met de jaren is hij alleen maar knapper geworden. Nu pas zie je aan hem wat schittering betekent. Toont hij zich van zijn ernstige kant, dan straalt hij een waardigheid uit en een zielenadel die je volkomen overdonderen. Is hij ontspannen en in een speelse bui, dan komt hij charmanter en beminnelijker over dan wie ook.’ Aldus Suzaku, de voormalige keizer van Japan en halfbroer van de genoemde prins en playboy. Het is een opinie die breed gedragen wordt. Horden vrouwen vallen voor Genji in katzwijm en mannen spiegelen zich vergeefs aan diens sociale souplesse, culturele verfijning en dadendrang in aangelegenheden van het hart. Aan het hof van de vroege elfde eeuw is Genji waarlijk uniek.

En toch valt het leven de prins zwaar. Het luisterrijke herbergt ontluistering; de grote gevoelens die hij voor een aantal van zijn vele vrouwen opvat, beloven betraande, ‘natte mouwen’. Zoals hij op middelbare leeftijd verzucht: ‘Ik ben van zo hoge geboorte dat je zou verwachten dat ik nooit iets tekort ben gekomen. Maar ik kan me niet bevrijden van de gedachte dat mijn lot veel beklagenswaardiger is dan dat van anderen. Ik veronderstel dat de boeddha’s mij duidelijk willen maken hoe vluchtig en triest ons bestaan is.’

Het verhaal van Genji is dé klassieke roman uit de Japanse literaire historie. Het boek werd in de elfde eeuw geschreven door Murasaki Shikibu, pseudoniem van een hofdame in de keizerlijke hoofdstad Heian-kyo (Kyoto). Het torent al duizend jaar als de berg Fuji uit boven het literaire landschap van Japan.

Genji werd geprezen, verfilmd, geparodieerd en vaak geherinterpreteerd, onder anderen door Junichiro Tanizaki, die de klassieker in de vorige eeuw toegankelijk maakte voor een modern publiek. Het is een monumentaal boek, niet in de laatste plaats door de omvang: 54 hoofdstukken die, in een eerste integrale Nederlandse vertaling van Jos Vos, over twee banden van ruim 700 pagina’s verdeeld moesten worden. Bovendien is het boek voor Japanners een bron van trots: het is de eerste belangrijke roman in de wereldliteratuur.

Vos noemt het boek terecht ‘een wonder’. Want hoe was het mogelijk dat een hofdame die ‘vrijwel haar hele leven binnenskamers doorbracht, te midden van seksegenoten, verborgen achter schermen en gordijnen, zonder enige mogelijkheid zich vrij in de buitenwereld te begeven’, een psychologisch rijke wereld op schrift kon stellen? Een wereld waarin niet alleen de vrouwen haarscherp zijn getekend, maar ook de mannen worden doorzien?

Het zijn vragen waarin een antwoord besloten ligt. Murasaki Shikibu (ca. 978 - ca. 1014) ) schreef Genji tijdens de eerste ‘gesloten’ periode van Japan, een tijd waarin, net als in de beroemdere tweede periode van 1600-1853, nauwelijks contact met de buitenwereld bestond. Japan had de religieuze en culturele invloeden van China geabsorbeerd, en maakte daar nu in de snelkookpan een eigen, verfijnde versie van.

Vlinderaar

Literatuur was in hoge mate geïnstitutionaliseerd: dames en heren van stand drukten zich uit in korte gedichten (waka), schreven brieven, terwijl de notabelen bedreven waren in Chinees. Maar terwijl de mannen zich uitsloofden in weinig origineel imitatie-Chinees, schreven de hofdames Japanse literatuur, waaronder Het Herfstdradendagboek of het lichtvoetige Hoofdkussenboek van Sei Shonagon.

Belangrijker nog, aldus literatuurhistoricus Shuichi Kato, was de positie die hofdames innamen. In zijn A History of Japanese Literature schrijft hij: ‘Daar hofdames geen wegen hadden deel te nemen aan de machinaties en machtspelletjes van het hof, maar er niettemin met de neus bovenop stonden, waren ze in een ideale positie om als waarnemer te fungeren.’ Juist in dat waarnemen van de hofcultuur blinken de meesterwerken uit de Heian-periode uit.

Genji gaat zeer gedetailleerd in op de (opvallend feminiene) finesses van die hofcultuur; de sociale regels, het politieke spel, de ceremonies, de dichtkunst en de muziek. Maar het boek gaat vooral over de complicaties van liefde en relatievorming. Zoals Vos schrijft, duikt steeds weer hetzelfde probleem op: ‘Een veelbelovende edelman wil een relatie met een dame. Hoe reageert zij?’ De uitwerking van het probleem blijkt steeds een andere, onder meer doordat Genji op latere leeftijd de verantwoordelijkheden van een staatsman krijgt, en zichzelf voorneemt oude streken af te leren. Maar de verandering heeft óók met de vrouwen te maken, de feitelijke helden van Genji. Wat begint als een nogal episodische staalkaart van romantische escapes van een egoïstische ‘vlinderaar’, verandert zodra een jong meisje dat ook Murasaki heet ten tonele verschijnt. Ze is het nichtje van Fujitsubo, Genji’s geliefde stiefmoeder die – hou het stil! – ook de moeder van Genji’s nooit erkende zoon is.

Genji adopteert Murasaki, met het doel haar klaar te stomen om zijn ideale vrouw te worden. Dat wordt ze ook, en meer nog dan dat: een sterke, wijze en vaak waardig lijdende vrouw, die elk hoofdstuk domineert waarin ze wordt opgevoerd. Hoewel ook een aantal andere vrouwen – met name de dame uit Akashi, de fijnbesnaarde dochter van een ordinaire lekenmonnik – Genji’s aandacht vangt, is het Murasaki die een anker wordt in zijn leven. Door haar aanwezigheid wordt het verhaal gewichtiger, duister zelfs, en vol van ‘de helaasheid der dingen’. Haar verdriet, ziekte en dood, grijpen niet alleen Genji aan, ook de lezer zal zichzelf betrappen op ‘natte mouwen’. Na Genji’s eigen dood rest er van de sprankeling van weleer weinig, en betreden we het terrein van de ontreddering.

Wat moderne lezers zal treffen – afgezien van de schaamteloze blijken van emotie – is hoe dichtbij de door Murasaki beschreven wereld voelt. Het kan weliswaar lastig zijn de vele figuren uit elkaar te houden – een namenlijst is bijgevoegd –, maar met hun emoties en overwegingen kunnen we ons prima vereenzelvigen. Omdat de schrijfster voelbaar in de tekst aanwezig is, lijkt Genji soms op hoogwaardige roddel, inclusief vileine en vaak geestige speldenprikken. En enkele keer maakt Murasaki die aanwezigheid zelfs expliciet. Op het moment dat Genji in ongenade raakt en besluit in ballingschap te gaan, schrijft ze: ‘Degenen die het toekwam stuurde hij – heel discreet – alleen een brief, en zijn brieven zullen vast de moeite waard geweest zijn, want hij drukte er zijn diepste gevoelens in uit, maar de droefheid van het ogenblik greep me zo aan dat ik niet duidelijk heb gehoord wat er in stond.’

Los van de kwaliteit als roman, is Het verhaal van Genji een intrigerend historisch document, dat vele vragen oproept. In welke vorm ontstond het? (Waarschijnlijk in de vorm van afleveringen voor een beperkt, adellijk publiek.) Is het boek af? (De laatste twaalf hoofdstukken spelen zich af na Genji’s dood, een gebeurtenis die wordt afgedaan met één suggestieve zin. Mist er een hoofdstuk? Hadden er nog meer moeten volgen? Het is denkbaar.) En suggereert de groei in het boek – qua stijl, samenhang, scherpzinnigheid en sociale kritiek – niet dat er verschillende auteurs moeten zijn geweest? (Het kan, maar het kan ook de weerslag zijn van de groei van een schrijverschap gedurende een leven.)

Mijlpaal

Zoals gezegd is het gangbaar Genji de titel ‘eerste roman in de wereldliteratuur’ toe te kennen, maar dat is buiten de literaire context gerekend waarin het werk ontstond. Twee belangrijke, lange prozawerken, nog vóór Genji geschreven, zijn tot op heden bewaard gebleven: de Ochikubo monogatari en de Utsuho monogatari. De auteurs van deze ‘romans’ zijn onbekend, maar ze maakten school in het realistisch weergeven van het leven van de Japanse aristocratie. (Over het plattelandsgepeupel, dat een zwaar leven leed teneinde de praal van de hoofdstad mogelijk te maken, wordt in hofliteratuur zelden gerept.) De Ochikubo is bovendien strakker gestructureerd dan vergelijkbare werken uit de tiende en elfde eeuw en daardoor volgens Kato sterker verwant aan de ‘moderne’ roman.

Maar geen van die werken heeft de impact en blijvende invloed gehad van Het verhaal van Genji, dat een mijlpaal is van dezelfde orde als Don Quichot. Met publicatie van deze integrale vertaling heeft Jos Vos – die eerder onder meer Basho’s reisverslagen vertaalde en ons de fraaie bloemlezing Eeuwige Reizigers schonk – een meesterproef afgeleverd. Het is niet de eerste keer dat we in het Nederlands met Genji kennismaken – H.C. ten Berge bracht eerder al een kleine greep samen in Avondgezichten, liefdes uit het leven van prins Genji – maar het volledige boek? Ook dat is in zekere zin ‘een wonder’.

Dat wonder danken we aan de prachtige Perpetua-reeks van uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep, waarin de ultieme klassieken van de wereldliteratuur in de beste vertalingen zijn samengebracht. Het is een reeks waarover we ons geen zorgen hoeven te maken, zo garandeert de uitgeverij desgevraagd, al werden onlangs alle andere klassiekersreeksen opgeschort. Het valt te hopen dat het optimisme van de uitgeverij gerechtvaardigd is. Maar Genji nemen ze ons niet meer af.