Stand.nl in circa 1800

In de stroom boeken over de Bataafse Republiek is er nu een fraaie bundel met specialistische stukken over aspecten als satire, literatuur, de positie van de vrouw.

Ontwerp voor de vlag van de Bataafse Marine. Door Dirk Langendijk, 1796 Collectie Rijksmuseum

Hoe lag Nederland er bij omstreeks 1800? Sinds 2008 buigt menig historicus zich over die vraag. Zo ook in Het Bataafs experiment, een bundel artikelen over politiek en cultuur omstreeks 1800. Hierin gaan uitstekend schrijvende specialisten in op de geschiedenis van 1770 tot 1840. Met bijdragen over de politieke wereld van de Bataafse revolutie, de religieuze en juridische aspecten, de Bataafse Republiek in internationaal verband, de plaats van de vrouw, politiek en satire, literatuur en politiek, en het beeld van het Bataafse verleden in autobiografische geschriften.

In 1800 keek men terug op een uiterst roerige tijd. Er was het gewestelijk verzet tegen het corrupte bewind van Oranjestadhouder Willem V in de patriottische exercitie- en leesgezelschappen die waren geïnspireerd door Frankrijk, en de vrijheidsoorlog in Amerika. De beroemde, van oorsprong Pruisische Oranjeprinses Wilhelmina was bij Goejanverwellesluis aangehouden, met als gevolg de Pruisische inval in 1787 en een Oranjeterreur die vele patriotten deed vluchten. Het Franse leger was binnengevallen, een invasie van Britten en Russen in Noord-Holland (1799) was afgeslagen. En uiteindelijk werd Nederland ingelijfd bij het Napoleontische Frankrijk.

Maar roerig is maar één trefwoord voor deze periode. Er was ook een enorm democratisch elan. De mens van de Verlichting verdient een Verlichte samenleving, met gelijke rechten. In praktische zin betekent dat directe invloed van de burger op het landsbestuur en handhaving, tot op zekere hoogte althans, van autonome gewesten.

In de Nationale Vergadering ontstaat een felle strijd over deze kwestie. De voorstanders van de eenheidsstaat winnen, het uiteindelijke twaalfkoppige Staatsbewind beknot in 1801 de macht van het parlement. De politiek actieve burger is dan grotendeels teruggebracht tot de passieve burger. Voor de maatschappij betekent dat een overgang van fel republicanisme naar gematigd liberalisme, zoals Niek van Sas in zijn bijdrage uitlegt.

Opmerkelijk is de rol van schrijvers en journalisten in de politiek. Marleen de Vries spreekt in haar stuk van een ‘opmerkelijke opmars van de intellectueel’, zoals in Frankrijk en Amerika. Dichter en schrijver Adriaan Loosjes werd afgevaardigde in de Nationale Vergadering, net als de essayist Johannes Lublink de Jonge, en predikanten als Van der Palm en Kantelaar. Vurige intellectuelen als Gerrit Paape, Bernardus Bosch, Betje Wolff en Aagje Deken werden geweerd. Want zoals het felle republicanisme werd ingetoomd door het strakker geleide nationale bestuur, zo werden felle polemisten geknot door meer censuur.

Tegelijkertijd ogen de intellectuelen zelf moegestreden. Dit laatste schrijft Frans Grijzenhout, in diens fascinerende bijdrage over politiek en satire rond 1800. Belangrijk in dit verband is Arend Fokke Simonsz. Hij verzette zich tegen de holle frasen en taal- en beeldclichés van de revolutionaire patriotten. Grijzenhout: ‘Fokke trok zijn kritiek door naar het domein van de revolutie en de beeldende kunst. In het pakhuis van spullenbaas Apollo, tot revolutionair sergeant verheven, treft hij vooral verminkte vrijheidsbeelden aan, mislukte afgietsels uit de fabriek van Marat en Robespierre, allegorische groepen staan ongebruikt in een kast, en er is een ruime voorraad van veelkoppige monsters, zo populair in de revolutie-iconografie als de verbeelding van uiteenlopende soorten politiek kwaad. Tezamen vormen al deze beelden het armzalige arsenaal van de beeldtaal van de Bataafse Revolutie, waarvan Fokke vilein lachend afscheid neemt.’

Eveline Koolhaas-Grosfeld belicht aan de hand van onder meer de bestseller Vaderlijke raad aan myne dochter (1790) van Johann Heinrich Campe de rechten van de vrouw. Wat is haar taak? Wijs huishoudelijk beleid, en geen savante willen zijn. Of zoals H.J. Spandaw (1807) het zegt in zijn De vrouwen: dichtstuk in vier zangen: ‘Onze eerbied klimt ten top, als ze in den werkkring leeft,/ voor welken de Natuur naar hier verordend heeft/ Het stille huisgezin: het laaiende patriottenvuur is gedoofd, de revoluties voorbij, Nederland is één, kalm bestuurde natie.

Na Napoleons verbanning naar Elba komt dan in 1813 Oranjekoning Willem I, zoon van de eerder zo gehate stadhouder Willem V, de democratische vernieuwingen die onmiskenbaar hadden plaatsgevonden voor decennia uitschakelen, met zijn koppig autoritair, zo niet autistisch bewind.

Men zou bijna 1840 schrijven tot hij eindelijk aftrad en Nederland bijkans failliet achterliet, na de vergeefse Tiendaagse Veldtocht tegen België (1831). Tamelijk rampzalig, deze Oranje, tevens een belangrijke factor in de vergetelheid waarin de turbulente laatste jaren van de achttiende eeuw belandden.

Willem I is niet de enige die gretig afbreuk doet aan de Bataafse glorie, zo laat Arianne Baggerman zien. De helden van toen portretteren zichzelf in hun herinneringen als bijwagens, en die zogenaamde revoluties stelden niet bijster veel voor. Ook hun conclusie: laten we er niet meer over praten.

Rest de vraag waar juist de laatste jaren al die aandacht voor de Bataafse Revolutie vandaan komt? Hoe ligt Nederland er bij in 2013? Ik noemde de discussie in de Nationale Vergadering over (al dan niet) directe invloed van de burger op het landsbestuur. Zou het toeval zijn dat de enorme aandacht voor de Bataven-democratie oplaait in ons Stand.nl-tijdperk, waarin we zuchten onder stempeilingen, kijkcijfers, twittertsunami’s, de publieke opinie als macht op zichzelf? Hoe dicht moet de politiek bij de burger staan? Het is een kwestie uit de Bataafse Revolutie, maar actueler dan ooit.