Speelser dan gewoonlijk bij opera

Theaterregisseurs hebben de opera Carmen bewerkt voor Opera Zuid. Het is afwachten hoe hun ingrijpende regie valt bij traditioneel operapubliek. Maar: „Elke noot ligt vast, er valt niet mee te sjoemelen.”

Bizet’s opera Carmen in een nieuwe vorm. Foto Morten de Boer

In het Quintet in in Bizet’s opera Carmen bespreken zigeuners hoe ze bij hun smokkelpraktijken de douaniers om de tuin kunnen leiden. Bij Opera Zuid moeten vijf zangers zich van regisseurs Geert Lageveen en Leopold Witte tijdens die moeilijke partij onhandig in carnavalspakjes wurmen. Elmar Gilbertson trekt al zingend een Batmanmasker over zijn hoofd, terwijl Kitty de Geus rondhupsend haar been in een Catwomanpakje wringt. Lastig, zeker. Maar ook speelser, geestiger en herkenbaarder dan gewoonlijk bij opera.

En dat is precies waarom Miranda van Kralingen, directeur van Opera Zuid, dit regisseursduo aanstelde. Witte en Lageveen komen uit de (muziek-)theaterwereld, en werkten veel bij bijvoorbeeld Orkater. Witte: „Miranda vroeg ons speciaal om het acteren naar een – volgens onze maatstaven – hoger niveau te brengen.” Van Kralingen had vertrouwen. „‘Pas je niet aan aan de traditie’, zei ze steeds, ‘maak je eigen voorstelling’.” Het maakt nogal uit, of je toneel regisseert of opera, ontdekten ze. Als toneel een zeilboot is, dan is opera een zeecontainer. Witte: „Alles grijpt op elkaar in; zangers, koor, orkest; je kan niet zomaar tussentijds je regieconcept aanpassen of op de vloer uitvinden.” Toen ze dat eenmaal doorhadden, hebben ze repetities uitentreuren voorbereid: „met veertig playmobilpoppetjes aan tafel.” Wennen was hoe sturend de muziek is. „Elke noot ligt vast, daar valt niet mee te sjoemelen. Maar alle herhaling in de muziek werkt vertragend bij de handeling. ”

Witte en Lageveen lossen dat op door soms iets anders te laten spelen dan wordt gezongen. „In de vierde akte zit een lied over stierenvechten met veel herhaling. Maar wij hebben niks met die Spaanse folklore. In een toneelstuk zou je die passage schrappen, maar dat kan hier niet. Dus nu zie je op toneel bij dit lied een psychose van Don José. Binnen het verhaal is het wel logisch.”

Over hun ingrijpende regie-ideeën moesten ze steeds in gesprek met de zangers en dirigent Yvan Meylemans. Over speelrichting bijvoorbeeld. Om het orkest te overstemmen zingen zangers bijna altijd recht naar de zaal. Als het orkest niet te luid klinkt, zingen ‘hun’ zangers nu soms ook even opzij, echt met elkáár. Janneke Schaareman (Carmen) begint hoestend aan de aria ‘L’amour’ na een trekje van een peuk. Na een wurgscène half stikkend zijn aria aanheffen, vond Martijn Sanders (Escamillo) toch niet zo’n goed idee. Witte: „Hij is bang dat hij dan de hele aria verkeerd zal zingen. Begrijpelijk hoor: zo zingen is topsport.”

Het is afwachten hoe sommige ingrepen zullen vallen bij het traditionele operapubliek. Hun Carmen speelt zich af in de hippietijd, Escamillo is hier een popster. Van zijn ‘hit’ Toreador klinken de eerste noten op elektrische gitaar. Witte: „Daar zag men de gein wel van in. Maar het komt ervóór hè? Het gaat niet ten koste van de muziek, dat is bij opera ècht not done.”

Carmen door Opera Zuid. Première 15/11, Theater aan het Vrijthof, Maastricht. Daarna tournee. Inl. operazuid.nl