Passerende schimmen in de nacht

Vleermuizen

Griezelen in nachtelijk Amsterdam? Een jonge vrouw maalt er niet om en struint ’s nachts als ‘batwoman’ de stad door op zoek naar vleermuizen. De meest zeldzame exemplaren komt ze hier tegen. Amsterdam blijkt voor hen een paradijs.

Een taxi toetert, een scooter knettert langs, op een caféterras laat iemand een glas vallen, hard gelach. Zeg: beschermde diersoort, en de nachtelijke Bilderdijkkade is niet de eerste omgeving die bij je opkomt. En toch laat het klikkende geluid dat klinkt uit het apparaatje in de hand van Anneke Blokker geen ruimte voor twijfel: „Gewone dwergvleermuis.” Ze schijnt met een zaklamp over het grachtwater. En daar is hij, in de lichtkegel: een kleine fladderaar, in chaotische vlucht, vlak boven het water, hij ontwijkt een meerpaal en verdwijnt onder de brug. De batdetector klakt nog even door, hoge hakjes die wegsterven in de nacht.

Mensen weten het niet, zegt Blokker, „dat de stad toevluchtsoord is van vleermuizen”. En toch zitten er meer dan je denkt. En dat is maar goed ook: „Een beetje vleermuis eet een paar duizend muggen en motten. Per nacht. Die beesten doen dus onzichtbaar hun best om de stad voor ons een beetje leefbaar te houden.” En nog sorry, roept ze de dwergvleermuis onder de brug na, „voor die 800 Lumen van de zaklamp in je snuit”.

Blokker (32) is sinds 2009 stadsecoloog bij de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente. Als je haar ’s ochtends mailt, dan krijg je een automatisch antwoord dat ze in verband met nachtelijk onderzoek voor de middag niet bereikbaar is. Ze viel voor de vleermuizen, verklaart ze, op een Limburgse excursie tijdens haar studie biologie. „We gooiden steentjes in het donker omhoog en daar doken ze dan achteraan. Fascinerend!” En lelijk? „Het zijn heel sophisticated beestjes, hoor. Ik vind ze juist ontzettend mooi.”

De afgelopen vier jaar inventariseerde ze locaties in de stad waar zich de meeste vleermuizen bevinden. Dat deed ze door gewoon rond te lopen met die batdetector, een kastje als een walkietalkie dat de onhoorbaar hoge gilletjes, hun ‘echolocatie’, omzet in lagere tonen die ons trommelvlies wel kunnen beroeren. De detector maakt onderscheid tussen de verschillende soorten die allemaal een eigen frequentie gebruiken en een aparte roep. Ook kun je de vleermuizen horen ‘inzoomen’ op een insect: de frequentie van hun ‘klikjes’ neemt dan opeens toe, zodat ze de vluchtende prooi beter kunnen volgen.

Die inventarisatierondes leverden al een fiks aantal verrassingen op. Een vleermuis lijkt gewoon een vleermuis. „Als je ze al ziet, dan is het een passerende schim, lastig te determineren. Maar van de 22 soorten vleermuizen die de Nederlandse fauna telt, komen er dus binnen de gemeentegrenzen acht voor.”

Prinsengracht

Frequent voorkomende soorten zijn de gewone en ruige dwergvleermuis, zeldzamer zijn de watervleermuis, de meervleermuis, de laatvlieger, de rosse vleermuis en de gewone grootoorvleermuis. „En we zagen de tweekleurige vleermuis – een zeldzaamheid.” Ook die watervleermuis was een verrassing. „Die zitten in kolonies aan de rand van de stad, vooral in Noord. Hun jachtgronden blijken dus ook in de stad te liggen. We kwamen ze tegen terwijl ze de Prinsengracht volgden.”

Want, om even een misverstand uit de weg te ruimen: de stad is dus níét het omgekeerde van natuur, waar sommigen de urbane omgeving voor houden. Integendeel: „Hun tafel is hier gedekt, vanwege al die insecten, en er is hier dekking, er zijn schuilplaatsen, als kraamkamer en om in te overwinteren. Spouwmuren zijn top voor ze.”

En daar komt de ruimtelijke ordening om de hoek kijken. „Vleermuizen zijn beschermd, daar zijn Europese richtlijnen voor. Ik wil laten zien waar ze zitten, zodat men er rekening mee kan houden.” Dat is op dit moment vooral relevant bij renovaties en sloop van panden. Als vleermuizen ergens in een nis of onder een dak overwinteren, dan kun je de bouwwerkzaamheden een paar maanden opschuiven. Tot de dieren alweer zijn vertrokken. En datzelfde geldt voor kraamkamers, die sommige soorten in de zomer in gebouwen inrichten. „Dat onderzoek gebeurt trouwens vaak nog te laat, het is nog geen automatisme. Als dan op het laatste nippertje blijkt dat bouwwerkzaamheden moeten worden aangepast, dan kost dat klauwen vol met geld.” En dat is nergens voor nodig. „Als op tijd onderzoek wordt uitgevoerd en rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van vleermuizen, hoeven bouw- of renovatiewerkzaamheden geen vertraging op te lopen.”

Het gaat niet slechts om een handvol vleermuizen, die onder een dakgoot hangen of jongen krijgen in een spouwmuur. Soms gaat het om echt grote aantallen. Een bekend voorbeeld komt uit Utrecht. Daar hebben dwergvleermuizen een overwinteringsplek gevonden bovenin het bakstenen hoofdkantoor van ProRail naast het Centraal Station, in de volksmond de „Inktpot”’ geheten. „Het zijn er vele duizenden.” En het zijn niet alleen Nederlandse overwinteraars: ze komen van verre, tot uit Estland aan toe. Gooi daar onwetend de sloopkogel tegenaan, wil ze maar zeggen, „en je bent die hele populatie kwijt”.

Zeshonderd in Bijlmerflat

En in Amsterdam komen dat soort verzamelplekken dus ook voor. „We deden onderzoek langs de A9. Onze snelwegen zijn namelijk ook hún snelwegen.” Grote aantallen vleermuizen hoorden de onderzoekers langskomen. „We hebben de zwermen gevolgd en kwamen erachter dat de dieren afkomstig waren van de Bijlmer. Meer dan zeshonderd zitten er daar in één flat.” En die zitten er ’s zomers én ’s winters. „Dit soort plekken zijn bijzonder. In Nederland zijn er slechts enkele bekend. We kunnen niet uitsluiten dat er veel meer van zulke plekken in Amsterdam te vinden zijn.”

Een inventarisatie die uitsluitsel geeft over de aanwezigheid van de dieren zou net zo routine moeten zijn als bijvoorbeeld bodemarcheologisch onderzoek. Daar schort het dus nog wel eens aan. Bouwondernemingen weten soms gewoon niets van vleermuisonderzoek of ze willen het niet weten omdat ze bang zijn voor vertragingen.

Die huiver is meestal misplaatst, zegt Blokker, „want het is niet zo dat één vleermuis onder een dakgoot alle werkzaamheden kan tegenhouden”. Gelukkig dat een ‘vleermuischeck’ gewoner begint te worden. Het in kaart brengen van heel de gemeentelijke vleermuispopulatie zou deze ‘spotchecks’ al kunnen helpen. „Amsterdam heeft een deel van de stadspopulatie inmiddels goed onderzocht en daarmee wordt het gehele vleermuisnetwerk inzichtelijk. Handig voor de bescherming van de vleermuis en handig voor de bouwer.”

Eén van de hotspots op vleermuisterrein bleek de nieuwbouwwijk IJburg te zijn. Vóór de aanleg van de waterrijke wijk kwam hier maar één soort vleermuis voor. Bij de bouw van de huizen daar, is rekening gehouden met de komst van vleermuizen – en vogels. En met succes. De ondieptes waren een kraamkamer voor insecten, vooral langpootmuggen, en daar kwamen insecteneters op af, waaronder zwaluwen en, dus, vleermuizen – zes verschillende soorten. „En daaronder dus die tweekleurige. Het vleermuiswereldje stond op zijn kop.”

Fout volk

Nachtelijk Amsterdam had meer verrassingen in petto dan alleen verborgen kraamkamers of het voorkomen van zeldzame vleermuissoorten. Want het zijn niet alleen vleermuizen die het daglicht moeilijk verdragen, maar ook duistere activiteiten van wilde mensen. „Ik heb meermalen moeten rennen voor, waarschijnlijk, mijn leven.” Je ziet het voor je. In de Kolenkitbuurt of het Delflandplein. Een tweetal mensen – „Je moet nooit in je eentje op pad” – in de weer met een knetterende ‘radio’ en zaklampen: dat wekt de aandacht van allerhande fout volk. „Op een gegeven moment hebben we de politie gevraagd een oogje in het zeil te houden wanneer we op pad gingen in een ongure buurt.”

Op naar het Vondelpark. Het onderzoek loopt voor dit jaar alweer op zijn einde, want de meeste vleermuizen zoeken hun overwinteringsplaatsen op. Het landschap is hier toch wel iets anders dan de stenen jungle van de Bilderdijkkade. Een zompig pad, takken slaan in ons gezicht. Konijnen kijken geschrokken in de lichtkegel van de zaklamp en, kijk, door de ondergroei scharrelt zowaar een onverschrokken egel.

Dan staan we aan de rand van een vijver. Hamertje Tik klinkt uit de batdetector. Afgetekend tegen de wolken fladdert een grotere vleermuis: „Laatvlieger.”

Het is niet het enige geluid dat de batdetector prijs geeft. Een melodieus deuntje klinkt uit het apparaatje, vogelachtig. „Ze baltsen nog!” Blokker is er zelf verbaasd over.