Ook kinderen zonder armen willen gewoon meedoen op school

Kinderen ondervonden gisteren in Ede hoe het is om gehandicapt te zijn. „Dit lespakket is hard nodig.”

Leerlingen van groep 7 van de Franciscusschool ervaren hoe het is om een beperking te hebben. Foto Flip Franssen

Aandachtig bestudeert de 10-jarige Brian hoe zijn klasgenoot Wesley („bijna 11”) een gebalde vuist in de lucht houdt. Op een plastic kaartje laat hij zijn wijsvinger langs plaatjes van het handalfabet glijden – tot hij bij de ‘e’ is. Hij geeft een knikje: volgende letter. Beiden dragen een geluidwerende koptelefoon – praten is verboden. Het lijkt goed te gaan, maar Brian weet het woord ‘eend’ niet te raden.

Groep 7 van de Franciscusschool in Ede ondervond gisteren hoe het is om een handicap te hebben. De Nederlandse Stichting voor het Gehandicapte Kind (NSGK) presenteerde een lespakket dat kinderen moet leren dat leeftijdsgenoten met een handicap niet raar zijn, of zielig. Wesley vindt de oefeningen „wel geinig”. „Maar het lijkt me niet zo leuk als ik nooit meer iets kan horen.”

Dit lespakket is hard nodig, volgens NSGK-medewerker Mariël Verburg. „De grootste belemmering voor gehandicapten op reguliere scholen, is dat andere kinderen dénken dat ze minder kunnen.” Terwijl ze juist zoveel mogelijk willen meedoen.

Volgend jaar wordt het ‘passend onderwijs’ ingevoerd. Dan moeten zoveel mogelijk kinderen op een reguliere school terechtkunnen – ook lichamelijk gehandicapten. Dat was niet de aanleiding om deze lessen te ontwikkelen, maar het maakt het lespakket wel extra nuttig, zegt Verburg.

Het is rumoerig in het kleine lokaal. Kinderen lopen geblinddoekt met een geleidestok in de hand heen en weer. Anderen proberen hun veters te strikken terwijl ze aan één hand een plastic ovenwant dragen.

Ook ontmoeten de kinderen ervaringsdeskundigen: Jeugdjournaalverslaggever Tako Rietveld, die zijn rechteronderarm mist, en de 12-jarige Luke, die helemaal geen onderarmen en onderbenen heeft. Terwijl de kinderen in een kring zitten, zegt Rietveld: „Ik kan alles wat jullie ook kunnen, maar dan met één in plaats van twee handen.” Om dat te illustreren strikt hij zijn veters met één hand en arm. Daarna pakt Luke zijn mobiel en componeert hij met zijn armen een sms’je.

Kinderen die Luke niet goed kennen, zeggen vaak dat ze hem zielig vinden, vertelt hij later. „Die denken dat ik helemaal niks kan. Vroeger vond ik dat moeilijk, maar nu zeg ik gewoon: ik kan alles, hoor.” Zijn klasgenoten, op de reguliere school, kunnen wel goed met hem omgaan. Hij heeft er zelfs „veel vrienden”.

Na alle spellen en gesprekken mogen de kinderen opschrijven wat ze ervan vonden. Een jongen schrijft dat hij het „niet leuk” vindt voor „die mensen”. „Het is erg vervelend als je blind of doof bent.” Klinkt dat niet te veel als: ‘ze zijn zielig’? Nee hoor, zegt Jeugdjournaalverslaggever Tako Rietveld. „Je ziet dat ze erover nadenken.” En het resultaat is al te zien, zegt hij. „Kijk eens hoe Luke meespeelt met de anderen. Hij wordt direct geaccepteerd. Dat is hartstikke mooi.”