Niets beter dan het permanente nu, vindt de cocaïne-snuiver

Een van de personages in Thomas Pynchons Bleeding Edge beweert dat de moderne mens zijn leven niet langer als een narratief benadert, maar als een opeenvolging van op zichzelf staande ‘events’, oftewel gebeurtenissen. We zouden niet langer reflecteren op het verleden en daar vervolgens een koers voor de toekomst op afstemmen, maar hoppen van de ene prikkel naar de andere.

Een roman, of qua lengte eigenlijk ‘novelle’, die hier helemaal op af is gesteld, is het debuut van Barry Smit (1974), Om het nu. De titel zegt het eigenlijk al. Aan de hoofdpersoon van het boek, de jongen is een jaar of twintig, kleeft nauwelijks verleden, en over wat de dag van morgen moet brengen denkt hij al helemaal niet na.

Zijn ouders leven in de veronderstelling dat hij keurig studeert, terwijl hij zich in feite roert in het kleine criminele circuit en voortdurend onder invloed is van verdovende middelen. Want er wordt wat afgeslikt en gesnoven in dit korte boekje.

De jongen is een jager op ‘kicks’. Tijdens een gevecht als AZ-hooligan vertrouwt hij de lezer zijn levensmotto toe: ‘Geen idee of ik pas twee tellen of al een eeuwigheid aan het rammen ben. Ik weet alleen dat niets beter is dan dit permanent nu, dat zich van alles losgezongen heeft.’ Type spiritist Eckhart Tolle dus, maar dan op cocaïne.

Je kan gerust zeggen dat Smit de filosofie van zijn held in de romanstructuur en in de tekening van de personages heeft doorgevoerd. Die is er namelijk niet of nauwelijks. De hoofdstukjes, met bondige titels als ‘Kelder’ of ‘Los’, en die maar een paar pagina’s beslaan, zijn zo goed als inwisselbaar. Er zijn de bezoekjes aan de horeca, er zijn de katers, er zijn de knokpartijen bij AZ, maar er is niet veel dat er op wijst dat we ze nu net in die volgorde moeten lezen.

Afgezien van één mooi hoofdstuk, waarin een stervende oma wordt bezocht, wordt er in het gehele boek geen poging ondernomen om het hoofdpersonage wat meer dimensie te geven. Smit heeft er wat mee willen zeggen, en hij slaagt daar ook in, maar is wel vergeten dat het natuurgetrouw neerzetten van een probleemgeval iets anders is dan het scheppen van een boeiend romanpersonage.

En toch verveelt Om het nu geen moment. Dat heeft vooral te maken met het vermoeden dat Smit behoorlijk ingewijd is in de materie waar hij over schrijft.

Het blijft niet bij dat bovengenoemde ‘rammen’, er wordt werkelijk een gedegen kijkje gegund in de keuken van een houtje-touwtjecrimineel die nog talent heeft ook.

Het boek is vooral indrukwekkend als fundament voor een goede roman: er zweeft een potentiële generatieroman in rond, en er zweeft een potentiële vader-zoonroman in rond, maar Smit is vergeten om één van de twee werkelijk uit te werken.