Meestrijden tegen de Duitsers

Voor het eerst beschrijft een historicus de inzet van alle Nederlandse RAF-piloten in WO II.

Erwin van Loo in de Spitfire (bouwjaar 1943) van de Koninklijke Luchtmacht Historische Vlucht op de vliegbasis Gilze-Rijen. Foto Merlin Daleman

De wroeging kwam pas later, jaren nadat de bommen waren gevallen. Wanneer Han Kosten, navigator bij het 320 Squadron van de Royal Air Force, na de oorlog met zijn gezin op vakantie ging in Frankrijk, ontweek hij altijd de plaatsen die hij had gebombardeerd. „Als je ouder wordt en je krijgt kinderen en kleinkinderen, dan ga je denken: misschien heb ik daar ook wel kinderen gedood.”

Het verhaal van Kosten staat in de dissertatie van historicus Erwin van Loo, werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in Den Haag. Van Loo promoveerde vandaag aan de Universiteit van Amsterdam op een studie naar de ervaringen van Kosten en de andere 900 Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog dienden bij de RAF. ‘Eenige wakkere jongens’ , een met vele unieke foto’s geïllustreerd boek, is het eerste totaaloverzicht van de belevenissen van de Nederlandse vliegers in Britse dienst in de Tweede Wereldoorlog.

Hoeveel veteranen heeft u gesproken?

„Ongeveer veertig. Ik begon in 1997 met het interviewen van veteranen, toen al een groep die snel kleiner werd. Ik ben blij dat ik er nog zoveel gesproken heb. Hun inbreng geeft kleur aan de feiten die ik in archieven, dagboeken en brieven vond.”

Was hun geheugen nog wel betrouwbaar na zoveel jaar?

„Dat is natuurlijk een probleem. Pas als ik bevestiging vond in archieven of andere bronnen, heb ik uitspraken uit een interview in mijn proefschrift gebruikt.”

Hoe stond de Nederlandse luchtmacht er voor na de capitulatie in mei 1940?

„Niet best. De Marine Luchtvaartdienst (MLD) was erin geslaagd om een redelijk aantal mannen met gevechtsklaar materiaal naar Engeland te laten vluchten. Zij konden in juni 1940 een eigen squadron binnen de RAF opzetten, het 320ste, dat zich bezighield met het bombarderen van de Duitse scheepsvaart. Maar de Militaire Luchtvaart (ML), de luchtmacht van de landmacht, had bijna geen gevechtsklare mannen en geen toestellen. Het zou tot 1943 duren voor er met het 322 Squadron een eenheid met jachtvliegtuigen werd opgericht. In totaal kwamen er in 1940 van de MLD en ML zo’n 160 man over. Hun aantal werd in de loop van de oorlog aangevuld met Engelandvaarders en mannen uit andere krijgsmachtonderdelen.

„Doordat de MLD en de ML na aankomst in Engeland niet met elkaar samengingen, was de inzet van Nederlandse vliegers niet zo effectief als had gekund. De marineleiding wilde zelf zeggenschap houden over hun vliegtuigen.”

Hoe was het gesteld met het moreel?

„Ze waren gemotiveerd om te vechten. Maar in de eerste oorlogsjaren deden zich vooral bij de mannen van de MLD problemen voor. Nederlandse leidinggevenden vlogen, in tegenstelling tot hun Engelse collega’s, niet zelf mee bij gevechtsoperaties. De militairen van lagere rangen hadden dus het idee dat zij alleen de kastanjes uit het vuur moesten halen. Daarbij hadden de Nederlanders aanvankelijk geen goed materieel. Dat werkte demotiverend. In 1943 werd het beter. Het 320 Squadron kreeg betere toestellen en commandanten die het gevaar met hun mannen deelden.

„De piloten die als jachtvlieger dienden, bij reguliere RAF-squadrons en later bij het 322 Squadron, hadden minder problemen. Jachtvliegers, die Duitse vliegtuigen uit de lucht schoten, werden als de elite gezien.”

Hoe gingen ze om met de spanningen waaraan ze dagelijks blootstonden?

„Zoals mannen van die leeftijd dat doen: veel drinken, roken en rokkenjagen. Je had mannen die echt flink uit de band sprongen, met orgies en strippokeravonden, en je had mannen die op zoek gingen naar de rust van een vaste relatie. Zo’n dertig procent van het Nederlandse luchtmachtpersoneel is tijdens de oorlog getrouwd.”

Nederlandse piloten haalden uiteindelijk 32 Duitse vliegtuigen neer en namen deel aan honderden bombardementsvluchten. Was deze bijdrage belangrijk?

„De RAF bestond aan het eind van de oorlog uit bijna een miljoen mensen. Van de 900 Nederlanders bij de luchtmacht hebben er ongeveer 650 daadwerkelijk deelgenomen aan operaties; bijna 235 van hen sneuvelden. Dat is natuurlijk een zeer klein deel van de geallieerde inspanning. Toch was deze Nederlandse deelname belangrijk. Ten eerste vond de regering in ballingschap het politiek noodzakelijk om mee te doen aan de strijd tegen de Duitsers. Het gaf hun het recht om mee te praten met de andere geallieerden. Daarnaast was het goed voor de Nederlanders onder de Duitse bezetting om te weten dat landgenoten meevochten om hen te bevrijden. En ten slotte vormden de piloten van de RAF-squadrons de kern van de nieuwe Nederlandse luchtmacht, die na de oorlog werd opgezet.

„Het heeft lang geduurd voordat de veteranen van de RAF erkenning kregen voor hun werk. De meeste focus lag na de oorlog op de daden van het verzet. Dat heeft ze wel gekwetst, denk ik. Pas toen Erik Hazelhoff Roelfzema in Soldaat van Oranje over zijn tijd in de RAF vertelde, kwam die waardering er. Dat heeft ze goed gedaan.”