Je kunt beter niet in eigen doel schieten

Het gebeurde op 22 juni 1994 in de Rose Bowl in Pasadena, Californië. John Harkes, middenvelder in het elftal van de Verenigde Staten, probeert vanaf links zijn teamgenoot Earnie Stewart te bereiken. Het is de wedstrijd tegen Colombia in groep A op het WK voetbal dat in de VS wordt gehouden. Colombia, zwaargebukt onder geruchten in het thuisland dat de gokmaffia en drugssyndicaten zich met het team bemoeien, had de eerste wedstrijd van Roemenië verloren. De VS hadden gelijkgespeeld tegen Zwitserland.

Het is de 35ste minuut en de bal lijkt na de pass van Harkes bij lange na niet de beoogde bestemming te bereiken. Dan maakt de Colombiaanse verdediger Andres Escobar een beweging die grote gevolgen zou hebben en tot een van de meest treurige voorvallen in de geschiedenis van de voetbalsport zou leiden. In een poging de bal te onderscheppen glijdt hij ernaartoe. Een paar seconden later ligt de bal in het Colombiaanse doel. Met Escobar wanhopig languit op de grond, net als keeper Oscar Cordoba.

Eigenlijk was René Higuita, protegé van drugskoning en voetbalsponsor Pablo Escobar, in die tijd eerste doelman van Colombia. Maar hij had negen maanden in de gevangenis gezeten, verdacht van betrokkenheid bij een ontvoering. Pablo Escobar, geen familie van Andres, was zelf een half jaar eerder bij een vuurgevecht met de politie gedood.

Toen Andres de bal in eigen doel had gegleden, zei een tv-commentator: „It's definitely not the year of the Escobars.”

Higuita zou een jaar later toch een wereldberoemde showbink worden door een legendarische redding op Wembley, in een interland tegen Engeland. Hij voorkwam een doelpunt door voorover te duiken en, hangend in de lucht, de bal met zijn beide zolen tegen te houden.

Stewart, de Nederlandse Amerikaan die tegenwoordig technisch directeur van AZ is, scoorde nog een keer voor de VS. Colombia verloor met 2-1 en werd uitgeschakeld voor de volgende ronde, ondanks een overwinning op Zwitserland.

Negen dagen na zijn eigen doelpunt krijgt de 27-jarige Andres Escobar, een bekwame verdediger die op het punt staat naar AC Milan over te stappen, als eerste Colombiaanse voetballer in de Italiaanse competitie, ruzie. De gebroeders Pedro en Juan Gallon, koeriers van een drugskartel, beginnen over zijn autogol. Eerst in restaurant El Indio in Medellin, uren later nog eens op het parkeerterrein. Het loopt zo hoog op dat de chauffeur en lijfwacht van de Gallons, Humberto Muñoz Castro, de auto uitstormt en Escobar neerknalt. Getuigen beweren: met twaalf schoten, steeds vergezeld van de uitroep ‘gol!’ Munoz zegt later tegen de rechter dat hij Escobar niet kende. Hij werd veroordeeld tot 43 jaar, maar kwam na 11 jaar door goed gedrag vrij.

120.000 Colombianen begeleidden de uitvaart van Andres Escobar. Zijn bijnaam was caballero de futból , heer in het voetbal. Zijn dood inspireerde de Colombiaanse schrijver Ricardo Silva Romero tot de roman Autogol. De gebroeders Jeffrey en Michael Zimbalist maakten vier jaar geleden de filmdocumentaire The two Escobars over de verwevenheid tussen voetbalclubs en drugskartels in de jaren negentig.

Dinsdag speelt Nederland een oefeninterland tegen Colombia, dat volgend jaar ook aan de eindronde van het WK meedoet. Dan is het twintig jaar geleden dat Andres Escobar werd vermoord. Denk daar maar eens aan als een Colombiaanse voetballer de bal in eigen doel schiet. Denk eraan wat er gebeurt als criminaliteit en voetbal worden verknoopt.

De Nederlandse schrijver Roman Helinski fantaseerde in het augustusnummer van Hard Gras dat Gabriel Garcia Marquez een roman schreef over Escobar, waarin Andres de aanslag overleeft en president van Colombia wordt. In werkelijkheid schreef hij enkele dagen na het doelpunt dat hem noodlottig werd een column voor de krant El Tiempo. Het artikel werd postuum afgedrukt. Hij troostte de lezers: „Tot ziens. Het leven houdt hier niet mee op.”

John Kroon is redacteur en commentator bij NRC Handelsblad