‘Ik heb te veel gezien, ik ben kapot’

Wie schrijft over de camorra, is in Italië zijn leven niet meer zeker. Zeven jaar al leeft Roberto Saviano ondergedoken. Nu is er een nieuw boek, over de wereldwijde miljardenhandel in cocaïne. Een gesprek op een geheime locatie.

Iedere keer als Roberto Saviano het woord scortato gebruikt heeft dat een ondertoon. Hij is zelf namelijk zo’n scortato, iemand die om veiligheidsreden wordt geëscorteerd: twee man voorin, daarachter een personenauto met zwaailicht met nog eens drie bewakers. De maffia wil hem dood, daarom stuiven we met 150 kilometer per uur over de snelweg. De witte volgwagen hangt rechtsachter, de kant waar Saviano zit. In de stad gaat even de sirene aan om het verkeer weg te jagen.

„Het lijkt een prachtig leven. Er wordt goed voor je gezorgd. Je hebt privileges, zoals je net kon zien in het verkeer”, vertelt Saviano als we even later aan tafel een mozzarella delen. „Maar je betaalt een enorme prijs. Je bent je vrijheid kwijt.”

Al zeven jaar leeft Saviano (1979) onder bewaking, sinds hij na publicatie van zijn boek Gomorra wordt bedreigd door peetvaders die hij met naam en toenaam had genoemd. Het is als een gevangenis, je wordt er depressief van, vertelt Saviano. Nooit meer naar de bioscoop. Een sociaal leven dat tot het minimum is gereduceerd. Het gevoel dat je niemand kunt vertrouwen. In het restaurant ontbreekt het vertrouwde gerinkel en geroezemoes. Om veiligheidsredenen is er niemand.

In bijna drie uur praten komt die sombere ondertoon vaak naar boven. Zeker, hij heeft grote ambities. Dat blijkt uit Gomorra, zijn boek over de camorra, de Napolitaanse maffia, en met zijn nieuwe boek Zero zero zero, over de wereldwijde, en alles corrumperende macht van meedogenloze cocaïnehandelaren en hun witteboordenmedeplichtigen. Saviano: „Ik wilde laten zien dat ik heel veel mensen kan bereiken. Het is mijn missie te vertellen wat veel mensen niet willen weten. Maar na zeven jaar ben ik kapot. Ik kan niet meer goed slapen. Ik zorg niet goed voor mezelf, ik ben dikker geworden. Ik heb er spijt van.”

U schrijft in uw nieuwe boek: ‘Ik heb in de afgrond gekeken en ben een monster geworden’. Wat bedoelt u daarmee?

„Ik heb mijn leven op het spel gezet, mijn persoonlijke relaties verwaarloosd. In wezen vertrouw ik niemand meer. Journalisten niet, mijn vrienden niet. Ik heb te veel gezien, ben te veel hoop kwijtgeraakt. Ik zou nu natuurlijk moeten zeggen dat ik wéér zo’n boek als Gomorra zou schrijven. Maar dat is absoluut niet zo, ik zou niets opnieuw doen. Ik zou mezelf op een andere manier inzetten. Fictie schrijven bijvoorbeeld. Ik zou mijn leven niet meer op het spel zetten.”

Saviano zet zijn basketbalpetje nog eens recht en pakt de draad van zijn nieuwe boek weer op. Over de cocaïnehandel, die heeft geleid tot een vorm van narcokapitalisme. „Tijdens mijn onderzoek naar de camorra realiseerde ik me hoe belangrijk de handel in cocaïne is voor westerse economieën. Ik wilde laten zien hoe groot en bedreigend het is. Iedereen kan coca verkopen, en je maakt er enorme winsten mee. Als je er duizend euro in investeert, maak je 180.000 euro winst, omdat het zo goed te versnijden is. Met zulke winsten kan je bijna alles en iedereen corrumperen.”

En het wordt overal gebruikt.

„In de jaren tachtig was cocaïne de drug van de elite. Nu is het drug van iedereen. Wie heroïne gebruikt is even uitgeschakeld. Dat valt op. Coca is makkelijker in te passen in je dagelijks leven. Er zijn genoeg mensen die het alleen op zaterdag nemen. Of voordat ze seks hebben. Of als ze een lezing moeten geven. Uiteindelijk verwoest coca je leven. Maar even ben je een god.”

Heeft u het zelf gebruikt?

„Nooit. Uit eergevoel. Waar ik ben opgegroeid, was je een zielepoot als je het gebruikte. En in de dorpen waar de camorra de dienst uitmaakt, is het verboden. Om de eigen kinderen te beschermen.”

U beschrijft hoe de cocahandel eerst werd gedomineerd door de Colombianen, maar dat de macht in de jaren negentig is overgenomen door de Mexicanen op het westelijk halfrond en door de ’ndrangheta, de maffiabendes uit de regio Calabria, in Europa. Hoe kreeg de ’ndrangheta die dominantie?

„Door hun duidelijke regels. Hun kracht zit in de onmiddellijke betaling, hun omertà, en in het feit dat ze voortdurend blijven investeren. De Colombianen wisten dat ze in de Reggio Calabria onmiddellijk werden betaald. Doe je zaken met de Russische maffia, dan weet je dat niet. De ’ndrangheta biedt garanties. Betaal jíj niet, dan zorgt de ’ndrangheta ervoor dat iemand anders voor je betaalt, en daarna vermoorden ze je. Zo werken ze al sinds de jaren tachtig. De Italianen zijn zo sterk geworden, omdat ze regels hebben en zich eraan houden. Die vorm van georganiseerde misdaad bestaat niet in Spanje en Portugal, Duitsland of Nederland. In Frankrijk hebben alleen de Corsicanen regels. De Russische maffia heeft wél regels, net als de Serven, maar die zijn niet zo streng.

„Daarnaast hebben leiders als Roberto Pannunzi en Pasquale Locatelli de opzet van de drugshandel veranderd. Zij haalden het geld op bij de Sicilianen en de camorra, de Russische maffia, de Serven. Stel dat je dan tachtig miljoen euro vergaard hebt, dan kan je enorme kortingen bedingen. En betalen je klanten je drie procent extra, dan ben je miljardair.”

Op het Amerikaanse continent hebben de Mexicaanse kartels nu de leiding, sinds eind jaren tachtig. U noemt dat de big bang van de cocaïnehandel.

„Wie niet begrijpt wat er in Mexico gebeurt, begrijpt die wereld niet. Ze snijden mensen het hoofd af en gooien dat een discotheek binnen. Ze vermoorden mensen op straat, het liefst rond zeven uur, om de opening van het journaal te krijgen. Ze zijn geobsedeerd door slagerswerk: ze hakken handen af en geslachtsdelen, naaien een varkenskop op een lijk. Het kartel van de Zetas is het ergste. De leden zijn jong, zeer wreed, extreem gemilitariseerd: opgericht door elite-eenheden van het leger.’’

In Nederland denken veel mensen : Mexico is ver weg.

„Dat het in Europa nog rustig is, komt omdat de Mexicanen dit zo willen. Ze schieten er niets mee op om in Amsterdam of Parijs te moorden. Dat de banken en financiële instellingen met de miljarden van de coca-handel werken, dat bedrijven met hun zetel in Nederland worden gebruikt om geld wit te wassen, baart de mensen blijkbaar geen zorgen. De ’ndrangheta gebruikt Nederland als schuilplaats, overslagpunt, onderhandelcentrum. De Italiaanse maffia’s, de Albanezen, Russen, Serven, Bulgaren, ze zitten in heel Europa. Overal in de economie kom je coca-geld tegen. Maar het interesseert niemand.”

U schrijft dat u de wereld niet meer op dezelfde manier kunt zien als voorheen. Onder de oppervlakte van het dagelijkse leven schuilen politici die zich laten omkopen. Bankiers die wegkijken. Bedrijven die worden weggedrukt met maffiageld. Waarom slaat niemand alarm?

„Er is nog nauwelijks onderzoek gedaan naar de banden tussen maffia en banken. Bovendien ontbreekt in Europa een financiële autoriteit. In de VS is meer gebeurd. Daar worden de wetten om de geldstromen voor het terrorisme in kaart te brengen, ook gebruikt tegen de georganiseerde misdaad. De politiek hier beschouwt de maffia als een probleem voor justitie, of hooguit als een moreel probleem. Maar het is een financieel en economisch probleem. De financiële wereld zit vol maffioos kapitaal.”

Wat zou u doen om Nederlandse politici van de urgentie te overtuigen?

„Mensen van politie en justitie laten vertellen over hun onderzoeken. Over de constante stroom bolletjesslikkers uit Suriname en Curaçao. Over de tonnen cocaïne die binnenkomen via Rotterdam. Die haven heeft het beste controlesysteem, maar je kunt niet alles controleren. Hoe sneller een haven is, hoe gemakkelijker iets er door heen glipt. Ik zou ze vragen stellen over de kopstukken van de ’ndrangheta die recent juist in Nederland zijn aangehouden. De wetgeving moet veranderen om politie en justitie meer mogelijkheden te geven. Nederland legt veel nadruk op de rechten van het individu. Terecht. Maar ik roep Nederland en heel Europa op om een wet te maken die samenwerking met maffiosi strafbaar stelt. In Italië heet dat maffiose associatie. Dat is fundamenteel.”

Wat maakt landen kwetsbaar?

„Hoe corrupter de politiek, des te machtiger de coca-maffia. Neem Bulgarije. Ze zeggen wel: in Italië bestaat een democratie met de maffia, in Bulgarije heb je de maffia met een democratie. Ook in Roemenië, Albanië, Montenegro, Servië en Slowakije is veel invloed van coca-geld. En kijk naar Afrika. Sierra Leone. Guinee Bissao. Benin. Togo. Allemaal in de greep van de cocaïne. Neem Midden-Amerika. Honduras is het gewelddadigste land ter wereld. El Salvador is een Mexicaanse kolonie. Zelfs in de rustige Scandinavische landen zie je de macht van de coca, bij de Hell’s Angels. De afgelopen jaren zijn zij degenen die de cocaïne verspreiden. Iets soortgelijks zie je in Canada. Dat land zit overigens, net als Australië en Engeland, vol maffioos geld.”

En de Aziatische landen?

„Mijn bronnen zijn onderzoeken van justitie. Maar in die landen wil justitie geen informatie geven. Van China weten we weinig. De middenklasse daar kan het zich nu nog niet permitteren om cocaïne te gebruiken, maar alle maffia’s ter wereld dromen ervan om cocaïne naar de grote Chinese markt te brengen. Wie cocaïne aan de Chinezen verkoopt, heeft de hele wereld.”

Zijn er oplossingen?

,,Ik geloof in volledige liberalisering, maar dan wel op mondiaal niveau. Het is moreel verwerpelijk, maar wel de enige oplossing. Vergelijk het met abortus. Wie abortus verbiedt, stimuleert illegale abortussen. Maar als alles illegaal is, kan je er nauwelijks iets tegen doen. Voor coca geldt hetzelfde. Wie een einde wil aan de macht van de cocahandel, moet die legaliseren. Het is erg moeilijk mensen dat te laten begrijpen.”

U bent nu beroemd, rijk, u heeft een bestseller op uw naam staan waarvan een succesvolle film is gemaakt.

„Ik ben niet in staat geweest daarvan te genieten. Uiteindelijk mis je ook erg veel in het leven dat ik leid. Mensen proberen voortdurend je beentje te lichten. Je raakt geïsoleerd. In Italië houdt men niet van mensen die met succes iets vertellen wat anderen niet lukt. Er is veel jaloezie. Mensen zeggen tegen me: ‘ik heb precies hetzelfde geschreven, en naar mij komen er maar tien mensen luisteren en naar jou duizend’. Ik heb er erg veel zin in om dat allemaal te ontvluchten.”

We stappen weer in de auto’s. Lijfwachten houden de straat in de gaten. Een van hen loopt vooruit, een ander dekt hem in de rug, pas daarna mag de verslaggever instappen. Saviano vertelt over David Dannon, een van de vele namen in het uitgebreide dankwoord van zijn boek. Dannon, staat daar, heeft ‘me een half jaar lang tot een ander, vrij en bijna gelukkig mens gemaakt.’ „Dat was ik”, onthult hij. „Zo heette ik toen. Die andere identiteit heeft me zes maanden vrijheid gegeven.” Terwijl de auto’s rustig door het drukke verkeer manoeuvreren vraag ik Saviano wat hij nu het meeste mist. „Mijn Vespa”, luidt zijn antwoord.