Gloei

Het werd tijd om het jaarlijkse lichtkunstfestival Glow in Eindhoven te bezoeken. Sinds een vriendin drie jaar geleden indrukwekkende foto’s opstuurde van het verlichte centrum, knaagde het voornemen, maar er kwam steeds iets tussen Eindhoven en mij.

Misschien had het, onbewust, ook iets te maken met de naamgeving, want waarom mocht het niet gewoon Gloei heten? Philips maakte toch nooit glowlampen?

Ik kan begrijpen dat ze voor de internationale uitstraling graag met Engelse slogans willen werken: eerst ‘Let’s make things better’, nu ‘Sense and simplicity’, over een poosje misschien ‘For a perfect Glow Job’. Maar hoeveel buitenlanders zullen er naar zo’n festival in Eindhoven komen? Daarom houd ik het, met of zonder permissie van Philips, eigenwijs op Gloei.

Ik was al een poosje niet meer in het centrum geweest, en het eerste wat mij er opviel had weliswaar niets met Gloei te maken, maar moet toch even opgemerkt worden. Op deze plek heb ik al vaker geschreven over mijn weerzin tegen de fietsers en scooters die zich over de Amsterdamse stoepen voortreppen, zonder acht te slaan op argeloze voetgangers. In Eindhoven, waar ze ook altijd Ajax voorbij willen streven, heeft men in deze ontwikkeling een officiële stap verder gezet.

Op het 18 Septemberplein, vlakbij het station, is het fietsers en scooters toegestaan zich tussen de voetgangers voort te bewegen – wat ze dan ook, zo ongeremd mogelijk, doen. Om het er als voetganger levend af te brengen, heb je meer ‘sense’ dan ‘simplicity’ nodig.

Al snel bleek dat ik met een enigszins verkeerde verwachting naar Eindhoven gekomen was. Dankzij de foto’s van die vriendin had ik me voorgesteld dat het centrum in een oogverblindende gloed gehuld zou zijn. Dat bleek niet het geval. Elk jaar wil men de bezoeker op een andere manier verrassen en voert de route langs nieuwe locaties. Begrijpelijk, maar ik kon die foto’s maar niet van mijn netvlies krijgen, terwijl ik me nu door allerlei lange, donkere stukken Eindhoven moest verplaatsen, van de ene verlichte locatie naar de andere.

Ik liep er bovendien – ook dat had ik me anders voorgesteld – niet met een overzichtelijk groepje belangstellenden, maar met duizenden andere lichtgevoeligen. Die wilden bijvoorbeeld allemaal tegelijk het Philips Stadion van PSV binnen waar een lichtshow werd gegeven. Dat duurde een half uur – niet die show (die duurde slechts zeven minuten), maar het binnenkomen. Voor je eruit was, was je een uur verder, waarna je nog enkele uren met al die duizenden voor de boeg had.

Was het mooi – al die verlichte huizen, gevels, bomen, vijvers en installaties? Het was soms heel mooi, het werd op den duur zelfs ‘smooi’; dit woord ontstaat vanzelf als je steeds tegen elkaar moet zeggen dat iets mooi is. Het woord is ook heel geschikt voor fraai vuurwerk, behalve als het in je oog ontploft.

Het smooiste vond ik een metershoge draak, die op mysterieuze wijze in een lichtbundel op het water van het Eindhovens kanaal danste. Hij was bedacht door een Italiaanse kunstenaar die zich ‘Asker’ noemde en zijn vondst eerder in Venetië had laten zien. Omdat de draak aan het einde verdwijnt, moeten we dit werk als een overwinning van het goede op het kwade beschouwen; dat kan nooit kwaad.

Dat las ik allemaal in het programmaboekje in de trein naar huis. Op de route zelf kon je niet goed lezen, het was er te donker voor.