Een parkeerterrein van mythische proporties

Een eigen geluid heeft hij nu al ontwikkeld. Jef Aerts, die met Vissen smelten niet zijn derde kinderboek in een jaar uitbrengt, schrijft zijn verhalen met een sprookjesachtig realisme. Het begint op een plaats en moment die een sprookje passen: in Winteroever, op de koudste dag van het jaar, het kwik op min twintig. Het schiereilanddorp verheugt zich op de komst van sneeuwruimers en vrachtwagens over het ijs, dat sterk genoeg is.

Maar Matti van twaalf heeft andere plannen op de nieuwgebaande ijsweg. Sinds zijn vader depressief op de bank ligt, is zijn neef Jarno de boel komen overnemen, en nu dreigt hij vaders Siamese kempvissen te gelde te maken – met vreeswekkende gevolgen voor de vis. Dat kan Matti niet verkroppen. Met de mooiste vis, Sirius, ‘met zilveren schubben en gemarmerde paarse strepen op zijn halvemaanstaart’, in een warme kruik gaat hij op weg naar redding in een universiteitsaquarium op het vasteland.

Dat avontuurlijke kinderplan zorgt voor spanning, maar ook voor mooie zinnen: Aerts is sterk in zijn beschrijvingen van het natuurschoon en -geweld, dat sprookjesachtig aandoet. Het realistische verhaal gaat hem minder goed af: de depressie van Matti’s vader wordt er ingeramd. En de vriendschap die er op de ijsweg ontstaat – tussen Matti en Drika, een slechtziend meisje dat óók een missie heeft – vraagt veel van de goedgelovigheid. Het ene moment zijn de twee elkaar hondstrouw, even later beledigen ze elkaar, en toch blijven ze samen op lopen. Waaróm?

In een sprookje had dat minder uitgemaakt, maar Aerts schippert tussen realistisch en fabelachtig – en dat gaat wringen. De hoofdpersonen spreken soms in gezwollen zinnen tot elkaar, maar zodra er een aanhangwagen met een vangkuilkoppeling langskomt lijkt het sprookje wel weer voorbij. (Of toch niet? In de realiteit bestaan slechts vangmuilkoppelingen.) Het is Aerts’ bedoeling: de mythische ‘Bramenheuvel’ waarnaar Drika op weg was, blijkt een parkeerterrein. Zo verbeelden we ons alles mooier dan ’t is – maar vaker nog smoort Aerts’ al te sterke sprookjesachtigheid de realistische emoties.

Thomas de Veen