Bij storm staat alles op losse schroeven

Surrealistische ontwikkelingen en het zwijgen over zaken die ertoe doen kenmerken de nieuwe roman van schrijver en criticus Arie Storm. Zijn collega’s krijgen het voor de kiezen.

Volgende week wel naar de Tros Nieuwsshow luisteren: zou Arie Storm ontslagen zijn? In zijn nieuwe roman Luisteren hoe huizen ademen heeft hij er in elk geval zijn best voor gedaan. In het derde hoofdstuk omschrijft hij zijn collega-boekbespreker Ingrid Hoogervorst als ‘een vrouw die met haar stem het geluid voortbracht van een gierende sirene’. Onno Blom, de derde huisrecensent bij de Tros is ‘een man met een eigenaardig specialisme: hij had aan het sterfbed gestaan of gezeten van talloze schrijvers, en niet zelden was hij degene die de laatste woorden van de nog net niet overledene wist op te vangen. Daar schreef hij dan een boekje over.’ Over de presentatoren Peter de Bie en Mieke van der Weij staat er: ‘een man die deed of hij nooit een boek las en een vrouw die op haar beurt juist de indruk probeerde te wekken dat ze altijd alles las en alles wist. Het werkte, want de gemiddelde luisteraar dacht dat de man heel dom was en de vrouw heel slim. In werkelijkheid was het precies andersom.’

Ze zullen zich bij de Tros wel groot houden en Storm gewoon laten aanschuiven bij de uitzending. Luisteren hoe huizen ademen is immers een roman, fictie dus: de betrokkenen worden in het boek niet bij naam genoemd en de hoofdpersoon heet geen Arie Storm, maar August Voois. Dus eist de code van ons dat we de romanschrijver, de kunstenaar, zijn vrijheid gunnen zolang hij de wet niet overtreedt. Dat heeft iets merkwaardigs, want de onaardige opmerkingen over de radiomensen in de roman interesseren ons juist omdat ze zo overduidelijk verwijzen naar bekende figuren. Een verzonnen romanpersonage dat een verzonnen radiopresentator dom noemt, ach, daar komen we ons bed niet voor uit. Arie Storm die zijn bloedeigen anchorwoman Mieke van der Weij de maat neemt, is een heel ander verhaal, een beter verhaal ook. Vandaar dat hier namen en rugnummers wel worden genoemd.

De dubbelheid die zo ontstaat is immers waar Storm in al zijn romans naar op zoek is. Zijn hoofdpersonen zijn steevast Stormachtigen, schrijvers met een ogenschijnlijk doodkalm bestaan, een vrouw, een dochter en een bureau in de woonkamer. Waarna zaken voorvallen die het leven van de man op zijn kop zetten (dode vader in Gevoel, ontrouw van de echtgenote in Afgunst), maar waarbij allengs minder duidelijk wordt hoe waarheid en verdichting zich tot elkaar verhouden – zowel binnen de roman als in het leven van de schrijver. Die autobiografische spanning hoort bij het boek, je mist iets als je die zou negeren. Dat mengen is een verre van exclusieve werkwijze: A.F.Th. van der Heijden gebruikt soms dezelfde techniek; Connie Palmen, Herman Brusselmans en L.H. Wiener doen het met volle overgave.

De in Duitsland werkende Vlaamse hoogleraar Lut Missinne schrijft in haar deze week verschenen knappe studie Oprecht gelogen. Autobiografische romans en autofictie in de Nederlandse literatuur na 1985: ‘In Wieners boeken is het in elk geval meer dan een aardigheid en raakt het wisselspel van feit en fictie aan de kern van zijn opvatting over literatuur.’ Dat alles gebeurt binnen een ‘een zoektocht naar zelfinzicht’. Je zou het zo kunnen zeggen over het werk van Storm – die helaas niet in het boek van Missine voorkomt.

In Luisteren hoe huizen ademen heeft hoofdpersoon August Voois alle trekken van zijn schepper: hij groeide op in de Haagse Schilderswijk, schrijft recensies voor een krant (bij Storm is dat Het Parool) en geeft les aan een universiteit (bij Storm de VU). En hij wil juist aan een nieuwe, vrolijke roman beginnen. Inderdaad wemelt het op de eerste bladzijden van deze roman van de zonnestralen en andere zomerse zaken – de knipoog is evident. De rust van Voois wordt verstoord doordat hij vreemde geluiden hoort in huis en steeds obsessiever terugdenkt aan zijn jeugd. Daarbij gaat het vooral om het half-Indische gezin van zijn vriendje Dennis. Eenmaal trof de jonge August de vader van Dennis aan in omhelzing met zijn eigen moeder.

Halverwege voert Storm de spanning op door een reeks surrealistische ontwikkelingen én door voorvallen uit het begin van de roman te hernemen. Hij zegt zaken verzwegen te hebben, bijvoorbeeld over de aanwezigheid van Marokkaanse jongens in zijn straat en andere zaken waarin hij de schijn wilde ophouden. Dat werkt, tot op zekere hoogte: het houdt de lezer alert. En dat veel in dit boek draait om het ophouden van de schijn, is zonneklaar. Het verlangen naar de vrolijke roman die Voois wil schrijven, de zwijgende minachting die hij kennelijk voor zijn radiocollega’s voelt. ‘Zo werkte dat in de media’, staat er in de radiopassage, ‘niemand keek door de schijn heen’.

Tegelijkertijd speelt Storm een doorlopend spel met clichés. Want Marokkaanse hangjongeren zijn natuurlijk een cliché van jewelste, net als de klassiek arbeideristische beschrijving die Storm van de Schilderswijk geeft: ‘De mensen in de Haagse Schilderswijk huurden die krotten, woonden ze verder uit, braken de boel af en sloopten vervolgens van binnen alles maar helemaal.’ Die staat overigens op een paar plaatsen in de roman, steeds in een net wat andere vorm. Op twee derde haalt Storm een ‘eerdere versie’ aan, als om de lezer duidelijk te maken dat echt alles op losse schroeven staat.

Het maakt Luisteren hoe huizen ademen tot een boek dat onophoudelijk in beweging blijft, nog los van het feit dat de geamuseerde distantie waarmee Storm over het leven van Voois schrijft, prettig leest. Alles is schijn, zo veel is duidelijk. Maar die poëtica brengt met zich mee dat de distantie op den duur moeilijk van desinteresse te onderscheiden is. Storm houdt wel heel veel afstand. De afstand die Voois voelt ten opzichte van zijn omgeving – halverwege besluit hij links en rechts ontslag te nemen – spreidt Storm tentoon ten opzichte van zijn hoofdpersoon. En dat slaat over op de lezer. De oud-Schilderswijker August heeft een hekel aan aanstellerij, schrijft Storm. Maar iets meer aanstellerij had deze roman veel goed gedaan: een voetballer komt er ook niet met schijnbewegingen alleen: soms moet hij een tegenstander voorbij of schieten – op het eigen doel desnoods.

Zo komt van het zelfonderzoek dat Missine bij Wiener signaleert, in Luisteren naar huizen die ademen weinig terecht. Daarvoor lijkt Storm onvoldoende geboeid door zijn hoofdpersoon – of te weinig geïnteresseerd in zichzelf. Al kan dat laatste natuurlijk schijn zijn.

Lut Missine: Oprecht gelogen. Autobiografische romans en autofictie in de Nederlandse literatuur na 1985. Vantilt, 280 blz. € 19,90