Beeldweelde van poëzie

Voor Avenue verzorgde Cees Nooteboom jarenlang de poëziekroniek. Die stukken zijn gebundeld in een salontafelboek

Illustraties uit Avenue

Bescheidenheid is niet een van de deugden van Cees Nooteboom. Dat schrijft Alberto Manguel in Alles voor het eerst. Geen verjaardagsbrief voor Cees Nooteboom, de dunste van de drie uitgaven waarmee de tachtigste verjaardag van de schrijver wordt gevierd. De niet-brief van Manguel is een elegante, zij het niet bijzonder verrassende rondleiding door het werk van Nooteboom, waarbij de mooiste observaties de verhouding tussen Nooteboom en de wereld behandelen: ‘Jouw schrijven is nooit „een imitatie van de werkelijkheid” [...] noch de imitatie van een verhaal, maar veeleer het notenapparaat, het verhelderende commentaar.’

Dat Nooteboom voor een onbescheiden auteur een groot vermogen heeft om het werk van anderen aan te prijzen, bewees hij met zijn jarenlange medewerking aan het maandblad Avenue, waarvoor hij tussen 1976 en 1990 de poëziekroniek bestierde. De Bezige Bij heeft Nootebooms Avenue-pagina’s bijeengebracht in een imposant koffietafelboek. Niet alleen de teksten, maar de volle 400 bladzijden, compleet met hun gedateerd-uitzinnige vormgeving. Er zitten merkwaardige baksels tussen én de schitterendste werken. Veel collages vooral, duidelijk van vóór de tijd waarin opmaakprogramma’s en vormgevingsformules de scherpe randjes van de tijdschriften-layout afvijlden. Het ziet er geweldig uit, al zal het de hedendaagse lezer moeite kosten zich ook daadwerkelijk aan het lezen te zetten in de beeldweelde.

Wie dan toch leest, krijgt van Nooteboom een rondleiding door de wereldpoëzie, met een lichte neiging naar de Spaans- en Portugeestalige wereld. Jarenlang schotelde hij de Avenue-lezers een doorlopende versie van het festival Poetry internatinal voor, afgewisseld met de grote dode dichters van de twintigste eeuw. Dus gaat het van Paul Celan en Charles Simic tot Hans Andreus en Anna Achmatova. Nooteboom houdt zich – afgezien van de afleveringen die aan zijn eigen gedichten zijn gewijd – vooral op de achtergrond. Hij levert korte biografische teksten – de voetnoten, om met Manguel te spreken.

Dan schrijft Nooteboom de ene keer een vriendelijke introductie, terwijl hij in andere stukken van een aanstekelijke begeestering blijk geeft. Nadat hij de vier bekendste heteroniemen van Fernando Pessoa heeft omschreven, staat er dan: ‘Tel je het allemaal op (ook als dat niet mag of kan) dan lijkt het alsof in deze éne eenzame Portugese man het hele conflict van het dichterschap in de nieuwe tijd uit elkaar gebarsten is, de fragmenten vliegen naar alle kanten: fatalisme, twijfel aan de werkelijkheid, afstand tussen het zichtbare en de taal die dat ooit benoemd heeft, heimwee, verlangen naar een verloren eenvoud, gedoemde religieuze gevoelens in een technologische wereld die de goden afschiet als patrijzen, de strijd, in sommige gedichten echt op leven en dood, tussen gevoel en intellect.’ Deze wervelende aanprijzing werd dan ook nog geschreven ruim voordat de vertalingen van August Willemsen Nederland veroverden.

Nooteboom was er vaker vroeg bij: zie de twee pagina’s werk van een jongeman (‘Studeert nog, maar bij vlagen’) van wie nog nooit poëzie in druk was verschenen Zijn dichtregels (‘Ik heb me gemaskerd/ met een zonnebril,/ waarachter mijn ogen/ onzichtbaar lijden’) zijn minder opmerkelijk dan zijn naam: Patrizio Canaponi. Op de zwartwit-foto kijkt een piepjonge A.F.Th. van der Heijden geamuseerd de Avenue-lezers aan.

Anderen vallen juist op doordat ze zo vreselijk vergeten zijn: Göran Sonnevi, Weldon Kees of Oscar Vladislas de Lubicz Milosz. Die laatste, Frans-Litouwse dichter werd door W.F. Hermans in de hongerwinter bij een carbidlamp vertaald. Nooteboom zette een aantal van de inktzwarte gedichten op de pagina, in de Hermansvertaling: ‘Immers, is hier op aarde één ding goed en zacht/ ’t zijn enkel de kerkhoven, somber en oud,/ waar zwakheid niet meer toegeeft en trots niet meer veracht/ En vruchteloze hoop geen mens meer berouwt.’

Zo is dit boek een tijdschrift- en literatuurgeschiedenis ineen, waarbij het overigens onbegrijpelijk is dat de uitgever er niet aan heeft gedacht om aan te geven op welke data de stukken zijn verschenen. Dat is een pijnlijke misser.

Een aantal van de dichters (Borges, Claus) komt ook voorbij in Met lopen nooit meer opgehouden, de derde jubileumuitgave: een lang interview door Piet Piryns, de oogst van een lange rij gesprekken. Het bevat veel vertrouwds voor de Nooteboomlezer en is op zijn best wanneer hij zijn giftige kant toont. Over de media en de Nobelprijs: ‘Eerst schrijven ze dat je een grote kans maakt, en als de prijs vervolgens naar iemand anders gaat, gaan ze er nog eens met veel leedvermaak overheen zeiken. Zoals Arjen Fortuin in de NRC: „wéér geen Nobelprijs voor Cees Nooteboom”. Dat is taal van bediendes, maar ook dat hoort erbij’.

Uit de bediendenkamer dan maar: dit doet je verlangen naar een dik boek met memoires van Nooteboom uit het literaire leven, waarin hij alle zelf benoemde halfgoden als patrijzen uit de lucht schiet. En tussendoor onbescheiden prachtige gedichten aanwijst, van een ander of van zichzelf.