Apothekers willen nu liever zekerheid

Beroepsgroep wil vast abonnementsbedrag per patiënt

De Nederlandse apothekers willen op een andere manier geld gaan verdienen. Ze willen, net als de huisartsen, voortaan van de zorgverzekeraar een vast abonnementsbedrag krijgen per ingeschreven patiënt. Voor bijvoorbeeld 9.000 omwonenden. Vervolgens zouden ze per keer een bedrag moeten krijgen voor de zorg en kennis die ze leveren bij het verstrekken van een medicijn.

Dit zegt Rik van der Meer, voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP). De beroepsvereniging van openbare apothekers heeft de afgelopen maanden gebroed op nieuwe manieren om haar positie te verstevigen in de geliberaliseerde markt.

Nu worden apothekers nog betaald per recept, op grond van het aantal en het soort medicijnen dat ze verstrekken. Hoe meer ze verkopen, hoe meer geld ze krijgen. Ze ontvingen vaste vergoedingen van de verzekeraars en waren in de volksmond ‘pillenboeren’ geworden.

Maar sinds begin vorig jaar verdienen ze steeds minder doordat de vaste vergoedingen voor medicijnen zijn losgelaten. Fabrikanten brengen steeds meer goedkope, merkloze pillen op de markt. Tegelijk eisen verzekeraars dat de apotheker die pillen, de goedkoopste, inkoopt – een duurder medicijn vergoeden ze niet meer. De marge tussen inkoop (door apotheker) en vergoeding (van verzekeraar) is heel klein geworden. Van der Meer: „Het is voor iedereen goed dat de prijzen van medicijnen dalen en dat de verzekeraar zo laag mogelijke vergoedingen geeft. Zo dalen de zorgkosten.”

Toch stapten vorige week twintig Amsterdamse apothekers naar de rechter om een hogere vergoeding van zorgverzekeraar Achmea af te dwingen voor heel dure medicijnen. Ze zeggen veel geld te verliezen doordat Achmea minder vergoedt dan de apothekers eraan uitgeven. Het gaat onder meer om hiv-remmers, die duur zijn en relatief veel worden gebruikt in Amsterdam. Apotheken hebben een zorgplicht: ze móeten een medicijn aan de patiënt geven, ook als de verzekeraar er te weinig voor geeft.

Om alle openbare apothekers weer een stabiele basis te geven, wil de KNMP dat ze een basisinkomen krijgen, net als de huisartsen. „Als je je werk goed wilt organiseren, moet je weten waar je aan toe bent”, zegt Van der Meer. Met een vast abonnementsinkomen kan de apotheker meer werk maken van zijn toekomstige rol, zegt Van der Meer: samen met huisarts en wijkverpleegkundige de groeiende groep thuiswonende ouderen bedienen. „De apotheker heeft unieke kennis over medicijnen. Het is zijn taak om andere zorgverleners, en patiënten in de wijk, er voortdurend over te informeren.”

Voordeel van het abonnemententarief bij huisartsen is dat de dokter geen financiële prikkel voelt om een patiënt onnodig te behandelen of overbodige medicijnen voor te schrijven. Hij krijgt van de zorgverzekeraars gewoon een vast bedrag per patiënt, ook als die patiënt nooit komt of met lichte zaken komt. Nadeel is dat de huisarts niet veel service biedt: de meeste huisartsenpraktijken zijn ’s avonds en in het weekeinde gesloten. Patiënten, zeker tweeverdieners, klagen dat ze alleen tijdens werkuren terecht kunnen.

Volgens Rik van der Meer is dat niet de bedoeling bij apotheken. „We proberen al wel om flexibel te zijn. Ik ben met mijn apotheek in Den Haag zes dagen per week open omdat er veel tweeverdieners in mijn wijk wonen. Die willen ook op zaterdag naar de apotheek kunnen.” Maar de meeste apotheken zijn alleen op werkdagen van 9.00 tot 17.00 open. En op zich is dat in sommige wijken niet erg, zegt Van der Meer. „Als er veel ouderen wonen, die de meeste geneesmiddelen gebruiken, zijn dat prima uren.”

Een andere klacht over de beschermde huisartsenmarkt is dat een patiënt moeilijk overstapt naar een ander als hij ontevreden is over zijn huisarts. Daar hebben huisartsen in veel regio’s onderling afspraken over. Hoe dat met apothekers zal uitpakken? „De patiënt moet wel vrij zijn om zijn apotheek te kiezen.”

De apothekers maken momenteel ook afspraken met verzekeraars en het ministerie van VWS om „onze rol van zorgverlener te versterken”. Sinds de liberalisering van de markt eisen verzekeraars dat de apotheker steeds andere (de goedkoopste) geneesmiddelen inkoopt. „Patiënten worden daar heel onzeker van”, zegt Van der Meer. „Ze krijgen telkens een ander doosje. Vooral ouderen vinden dat vervelend. Ze vragen of het wel hetzelfde geneesmiddel is.” Bedoeling is dat de verzekeraar voortaan bijvoorbeeld 80 procent van de oorspronkelijke prijs voor een pil vergoedt en dan tegen de apotheek zegt: u mag, tegen díe prijs, zelf weten wat u verstrekt. „Dan kunnen wij zorgen dat de patiënt steeds hetzelfde merk krijgt. Dan maken we minder fouten, is er minder administratie en heeft de patiënt minder onzekerheid.”