Wout

Tot mijn verbazing werd ik vorige zomer gebeld namens het blad Wout, een (nog) niet bestaand magazine voor politieagenten. Ze stuurden me met een fotograaf naar de landelijke diversiteitsdag van de politie in zaal ‘De Heerlickheijd’ in Ermelo. Een locatie waar ik eerder was geweest, toen voor de Nationale Conferentie voor Dansschoolhouders. De meeste aanwezigen

Tot mijn verbazing werd ik vorige zomer gebeld namens het blad Wout, een (nog) niet bestaand magazine voor politieagenten. Ze stuurden me met een fotograaf naar de landelijke diversiteitsdag van de politie in zaal ‘De Heerlickheijd’ in Ermelo. Een locatie waar ik eerder was geweest, toen voor de Nationale Conferentie voor Dansschoolhouders. De meeste aanwezigen waren in uniform. ‘Jong Blauw’ deelde condooms en een nieuwsbrief uit waarin werd gewezen op nationale complimentendag. Daar werd naar uitgekeken.

Bij de politie spraken ze ook nooit van een ‘vakman’, maar van een ‘vakmens’

Ik had de pech in de armen te lopen van Hans van den Bergh, senior beleidsadviseur bij de politieacademie. Hij droeg een stippeltjesblouse, was betrokken bij de organisatie en zat in allerlei commissies. Wat volgde was een minutenlange monoloog waarin hij uiteen zette hoe divers de Nederlandse politie was. Conclusie: heel divers, zo divers hadden we het nog niet gegeten.

Voor vragen kon ik hem te allen tijde aanklampen, een fax sturen naar zijn blonde persvoorlichter mocht ook.

Meneer van den Bergh: „Alles zwart op wit. Wel zo makkelijk!”

In een grote zaal bogen de aanwezige dienders zich in kleine groepjes over ‘politievraagstukken’.

Twee politiecollega’s van Turkse/Marokkaanse/Limburgse/Friese afkomst spreken met elkaar Turks/Marokkaans/Limburgs/Fries waardoor andere collega’s het gesprek niet kunnen volgen. Hoe gaat u hiermee om? Verandert dit wanneer zij dit op straat doen met iemand die het Nederlands niet (goed) spreekt?

Ik volgde de discussie tussen drie agenten (twee mannen en een vrouw), die totaal anoniem wensten te blijven, de woordvoering over diversiteit was in handen van meneer Van den Bergh en zijn blonde persvoorlichter, en die kenden we inmiddels.

In de pauze, er was tomatensoep en er was appelsap en er lagen stapels ingewikkelde broodjes met prikkers erin, kwamen we Hans van den Bergh weer tegen. Hij was benieuwd naar ‘de indrukken’ en begon over de opening van de dag die we helaas gemist hadden. Er was daar een transgender agent in Ghanese klederdracht verschenen.

„Als dat niet divers is…”

Bij de politie spraken ze onderling ook nooit van een ‘vakman’, maar van een ‘vakmens’.

Hij raadde ons aan tot het einde te blijven, want dan kwam er een grappenmaker. Hij lichtte een tipje van de sluier op.

„Het is mager, draagt een bril en heeft een hele gewone naam!”

Jörgen Raymann viel af, het antwoord – Dolf Janssen – was wel goed.

Meneer van den Bergh: „Ssst!”

Het door mij geschreven stukje verdween in een zwart gat, van de fotograaf begreep ik later dat die hele Wout nooit was verschenen. Ik vergat het en dacht er pas vorige week weer aan toen ik las dat agenten buitenlanders vaker fouilleren dan Nederlanders. Zo hebben ze dat op de politieacademie niet geleerd, dacht ik toen. Tenminste niet van meneer Van den Bergh.