Uit de recessie, dankzij statistiek

De economie groeide in het afgelopen kwartaal met 0,1 procent. Het eind van de recessie, maar wel met een statistische kanttekening.

De Nederlandse economie is uit de recessie, maar is wel een beetje geholpen door de statistiek. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) rapporteerde vanmorgen een groei van het bruto binnenlands product van 0,1 procent over het derde kwartaal, ten opzichte van het kwartaal daarvoor. Omdat de eerder gerapporteerde krimp van 0,1 procent in het tweede kwartaal vanmorgen opwaarts werd bijgesteld naar nul, was de recessie bij nader inzien al na het eerste kwartaal ten einde.

Toch moet bij het ‘einde van de recessie’ een statistische kanttekening worden gemaakt. De export groeide namelijk niet, terwijl de import met 0,3 procent toenam. Dat gaat per saldo ten koste van de economische groei. De investeringen stegen met 1,9 procent. Maar daar tegenover staat dat de consumptie met 0,4 procent daalde. En dan zijn de voorraden bij het bedrijfsleven, weliswaar een kleine post, ook nog eens met een kwart afgenomen.

De vraag is dan ook hoe het CBS dan toch op een groei van 0,1 procent komt. Want de afzonderlijke grootheden van vanmorgen tellen in werkelijkheid op tot een krimp van 0,4 procent van de economie in het derde kwartaal.

Het antwoord ligt bij de statistiek. Het CBS kan soms niet precies genoeg vaststellen wat de groei van kwartaal op kwartaal is, bijvoorbeeld door noodzakelijke seizoenscorrecties. „Een half procentpunt van de groei van het bbp in het derde kwartaal is veroorzaakt door het zogenoemde statistisch residu”, zegt Theo Smid, economisch onderzoeker bij de Rabobank. Onder het ‘statistisch residu’ vallen de cijfers die nog niet direct zijn toe te wijzen. „Het komt vaker voor”, zegt Smid, „maar een statistisch residu van een half procent is relatief wel erg hoog.”

Volgens een woordvoerder van het CBS is de statistische afwijking met name te danken aan toegepaste seizoenscorrecties. „Soms tellen de afzonderlijke posten niet op tot het totaal. Alle landen hebben daar last van.” In het geval van de cijfers van vandaag betekent deze bewerking nu het verschil tussen krimp en groei. Hij benadrukt dat de 0,1 procent die het CBS vanmorgen presenteerde, nog steeds de beste schatting is. „Maar ook die 0,1 procent groei zit zo dicht bij nul dat het in wezen een marginaal cijfer is.”

Ook in de rest van de eurozone was het beeld vanmorgen tweeslachtig. Duitsland rapporteerde een economische groei van 0,3 procent, hetgeen volgens de verwachting was. Frankrijk verraste met een krimp van 0,1 procent. Alle eurolanden samen groeiden met 0,1 procent. „De eurozone zit vast in de eerste versnelling”, concludeerden economen van ING vanmorgen.

Tegenover de lichte economische groei in Nederland staat een voortgaand banenverlies. Gecorrigeerd voor seizoensinvloeden was het aantal banen 46.000 lager dan in het tweede kwartaal van 2013, een daling van 0,6 procent.

Ten opzichte van de overeenkomstige periode een jaar geleden, waren er 160.000 minder. Dit is een daling van 2,0 procent en daarmee, volgens het CBS, het grootste banenverlies sinds het begin van de reeks in 1995. Vooral in de bouwnijverheid en de zorg nam de werkgelegenheid af. De werkgelegenheid loopt overigens altijd achter op de conjunctuur.