Strengere bijstand: onredelijk is dat niet

Een alleenstaande bijstandstrekker die zijn kosten niet met een ander kan delen, ontvangt maandelijks 926,47 euro van de overheid om in zijn kosten van levensonderhoud te voorzien. Dat kan niet zonder voorwaarden. In principe moet de uitkeringsgerechtigde op zoek naar werk. Als zijn sollicitaties niet slagen, moet hij aan reïntegratieactiviteiten meedoen of ‘onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden verrichten’, zoals staatssecretaris Klijnsma (Sociale Zaken, PvdA) onderstreept in een voorstel dat ze gisteren naar de Tweede Kamer stuurde.

Er is niets mis met het uitgangspunt van de regering dat wie kan werken niet van een uitkering afhankelijk hoort te zijn. Maar het is op dit moment voor een deel ook een nogal theoretische opvatting. Menigeen is buiten zijn schuld werkloos en belandt na enige tijd in de bijstand. Toch trekt Klijnsma de touwtjes strakker aan, waarmee ze duidelijk maakt dat de opvattingen in haar partij (voorheen samen te vatten als: ‘een uitkering is een recht!’) de afgelopen jaren zijn veranderd. Zo vervalt de ontheffing van de sollicitatieplicht, waarop alleenstaande ouders met kinderen jonger dan vijf nu een beroep kunnen doen. Ook kunnen cliënten van een sociale dienst hun uitkering tijdelijk kwijtraken louter op basis van agressief gedrag jegens de ambtenaar tegenover hen.

Het kabinet wordt strenger voor de gemeenten, die via hun sociale diensten uitvoerders zijn van de wet en ook grotendeels de kosten voor hun rekening nemen. De bijzondere bijstand, voor zover die min of meer vanzelf wordt gegeven als extraatje bovenop de gewone uitkering, verdwijnt, op enkele uitzonderingen na. Voor maatwerk komt juist meer geld beschikbaar, en dat is goed.

Strenger wordt de wet ook voor de uitkeringsgerechtigde zelf. Iemand kan op basis van persoonlijke omstandigheden nog wel een tijdelijke ontheffing krijgen van zijn arbeidsverplichting, maar niet meer van zijn reïntegratieplicht.

Het is terecht dat het kabinet een tegenprestatie verlangt van degenen die op kosten van de belastingbetalers een uitkering ontvangen. Wel ligt het gevaar op de loer dat ‘onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden’ betaald werk verdringen. Te denken valt aan straatvegen en plantsoenwerk, met daarbij de vraag waarom dat dan eigenlijk geen gewone lagelonenbanen zijn.

Van de uitkeringsontvanger die tot werken in staat is, wordt verwacht dat hij zelf geen belemmeringen veroorzaakt. Als hij of zij onverzorgde of gelaatsbedekkende kleding draagt bij een sollicitatie of zich sociaal onaangepast gedraagt, kan dat worden bestraft met een korting op de uitkering. Het is een in het oog springend onderdeel van het wetsvoorstel. Maar onredelijk is dat niet.