Op zijn best als hij de abstractie zocht

Arnold Schönberg is vooral bekend als componist. Maar de muziekvernieuwer schilderde ook. Zijn werk hangt nu in het Joods Historisch Museum, naast dat van zijn vrienden Kandinsky en Schiele.

De Weense componist Arnold Schönberg (1874-1951) wist zelf ook wel dat hij niet echt moeders mooiste was. „Ik ben klein; ik heb korte benen”, schreef hij rond 1937. „Ik ben kaal met een kale plek in het midden en daaromheen een krans van donker haar. Mijn neus is groot en krom, ik heb grote, donkere ogen, zware wenkbrauwen, mijn mond is misschien nog het mooist aan mij. Meestal heb ik mijn handen op mijn rug gevouwen, mijn schouders zijn rond.”

Precies zó schilderde Schönberg zichzelf op het zelfportret dat hij eind 1911 exposeerde op de eerste tentoonstelling van kunstenaarsgroep Der Blaue Reiter in München. Niet bepaald een man naar wie je om zou kijken als hij voorbij liep. Toch was Schönberg op dat moment op de toppen van zijn kunnen. Hij had net een contract getekend bij de Weense muziekuitgever Universal-Edition en was op voorspraak van Gustav Mahler docent geworden aan de Weense Academie voor muziek. Door de avant-garde werd hij op handen gedragen. Maar op dit zelfportret maakt hij een mismoedige indruk. Alsof hij, de briljante 37-jarige joodse kunstenaar en musicus, gevangen zit in het lichaam van een oude man.

Zelfportret lopend (1911) is een van de hoogtepunten op de expositie die komend weekeinde opent in het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Schönberg wordt tegenwoordig vooral gezien als een invloedrijk componist, die met zijn atonale muziek en zijn twaalftoonstechniek de twintigste-eeuwse muziek voorgoed veranderd heeft. Dat hij ook een omvangrijk oeuvre van schilderijen en tekeningen heeft nagelaten, is minder bekend. Op de expositie zijn zo’n 50 werken van hem bijeengebracht, waarvan de meeste niet eerder in Nederland te zien waren. Ze worden aangevuld door schilderijen van Schönbergs vrienden, onder wie Wassily Kandinsky, Egon Schiele, Gabriele Münter en Richard Gerstl.

Dat Schönberg in 1911 mocht meedoen aan de legendarische Blaue Reiter-tentoonstelling, en daar als amateurschilder hing tussen Franz Marc, August Macke en Robert Delaunay, had hij aan Kandinsky te danken. Eerder dat jaar had de Russische kunstenaar in München een concert van Schönberg bijgewoond waar hij diep van onder de indruk was. Die avond nog schilderde Kandinsky Impressie III (Concert), waarin hij de tumultueuze sfeer van het concert vastlegde in felrode en gele kwaststreken. Een zwarte vlek moet de piano voorstellen, een paar snelle lijnen op de voorgrond de silhouetten van het publiek.

Somber en modderig

Twee weken na het concert stuurde Kandinsky een brief aan Schönberg. „U kent mij niet, uiteraard”, schreef hij daarin. „Maar waar we naar streven en onze denk- en gevoelswijze komen overeen.” Hoewel hij acht jaar ouder was dan Schönberg, klinken de woorden van Kandinsky als die van een fan aan zijn idool. „In uw werk heeft u verwezenlijkt waar ik zo lang naar verlangd heb in de muziek. Het eigen leven van de individuele stemmen in uw composities, dat is precies wat ik ook probeer te vinden in mijn schilderijen.”

De brief vormt het begin van een intense correspondentie tussen de Russische kunstenaar en de Weense componist. Beiden zoeken naar nieuwe, abstractere uitdrukkingsvormen. Ze delen een belangstelling voor spiritualiteit, voor de psychologische werking van kleuren en voor de theosofische ideeën van Rudolf Steiner. In de zomer van 1911 ontmoeten ze elkaar voor het eerst, aan het Starnberger meer in Beieren. Ze worden vrienden en schrijven elkaar vrijwel dagelijks. Tot de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, Kandinsky terugkeert naar Rusland en Schönberg moet dienen in het Oostenrijkse leger.

Binnen de expressionistische schildersgroep Der Blaue Reiter werpt Kandinsky zich op als promotor van Schönbergs beeldende kunst, maar zijn medeoprichters zijn daar niet altijd even blij mee. In een brief aan zijn vriend Franz Marc beklaagt August Macke zich in januari 1912 over Schönbergs matige bijdragen. „Ik ben er direct woedend om geworden, om deze groenogige waterige bollen met die astrale blikken. Ik heb niets tegen dat Lopende zelfportret. Maar zijn deze paar losse flodders werkelijk al dat gejammer over de ‘schilder’ Schönberg waard?”

Wie nu over de expositie loopt, heeft de neiging Macke gelijk te geven. Want een echt begaafd schilder was Schönberg niet. Zijn landschappen zijn soms vrolijk impressionistisch, zoals Tuin uit 1906-1907, dan weer somber en modderig, zoals Landschap (1907-1909) en Nocturne (1910). Zijn portretten zijn vaak flets en onbeholpen.

Het beste zijn de werken waarin Schönberg, net als in zijn muziek, de abstractie opzocht. Zoals in de schilderijenserie die hij zelf ‘Blicken’ of ‘Gazes’ noemde, en die volgens Kandinsky visioenen verbeeldden. Blick uit 1910, dat destijds ook op de expositie van Der Blaue Reiter hing, is een aangrijpend portret van een figuur – meer aap dan mens – met roodomrande ogen. Het is een indringend beeld van existentiële angst, dat herinnert aan Munchs De Schreeuw uit 1893. Die ogen, dat waren volgens Schönberg de poorten naar de ziel.

Schönberg was ook een inventieve knutselaar. Uit geldnood ontwierp hij allerlei handige gadgets, zoals een stoel die omgebouwd kan worden tot ladder of een uitschuifbare muziekstandaard. Hij maakte miniatuurschaakspelletjes voor op reis, tekende complete kaartspellen om mee te bridgen en bedacht een typemachine voor muzieknoten – al bleek die iets te ingewikkeld om uit te voeren. Zijn ideeënrijkdom was oneindig, zo blijkt uit zijn schetsen voor een soort strippenkaart voor de Berlijnse tram. Zijn ervaring in het leger vertaalde hij in een ontwerp voor overdekte loopgraven, zodat soldaten vanonder hun camouflagekap beter beschermd konden vuren op de vijand.

Concerten van kleur

Van Kandinsky is in Amsterdam een vijftal vrolijke abstracte werken te zien, ‘concerten van kleur’, waarin de schilder zijn liefde voor muziek laat blijken. Maar de grootste ontdekking op deze expositie is Richard Gerstl, de jonge Weense expressionist van wie Schönberg het vak had geleerd. Een mooie jongen, afgaande op zijn zelfportret uit 1907, met een weelderige bos haar en vriendelijke ogen. Gerstl, die in hetzelfde appartementencomplex woonde, had Schönberg rond 1907 geïnspireerd om te gaan schilderen. Maar de vriendschap bekoelde toen Schönberg in de zomer van 1908 zijn vrouw Mathilde met Gerstl in bed betrapte. Aanvankelijk koos Mathilde voor de jonge schilder, maar toen ze later dat jaar toch terugkeerde naar haar gezin, pleegde Gerstl op 25-jarige leeftijd zelfmoord. In het Weense museum Belvedere hangt het aangrijpende zelfportret dat hij op die dag, 4 november 1908, maakte. Grijnzend kijkt Gerstl ons aan, zijn kop kaalgeschoren, zijn mooie rij witte tanden ontbloot. Het is zijn laatste, maniakale lach.

Ook tussen Kandinsky en Schönberg liep het verkeerd af. De twee hernieuwden in 1922 hun correspondentie. Kandinsky, die inmiddels aan het Bauhaus in Weimar doceerde, nodigde Schönberg in 1923 uit om in Weimar directeur van de muziekschool te worden. Maar Schönberg had toen al vernomen dat er op het Bauhaus antisemitische tendensen waren, en dat Kandinsky daaraan meedeed. Hij bedankte voor de eer. Dat was het einde van hun bijzondere vriendschap. „Wat ik in de afgelopen jaren gedwongen werd te leren”, schreef Schönberg op 19 april 1923 aan Kandinsky, „zal ik niet meer vergeten. Dat ik namelijk geen Duitser, geen Europeaan of zelfs maar een mens ben, maar een Jood.”

Schönberg en Kandinsky. Tegendraads in kunst en muziek. 17 nov t/m 16 maart in het Joods Historisch Museum, Amsterdam. Elke zondag spelen conservatoriumstudenten composities geïnspireerd door Schönberg. Inl. jhm.nl