Niemand snapt waarom deze koeien stikten

Duizenden mensen en dieren stierven rond een Afrikaans meer, over de oorzaken wordt getwist Schrijver Frank Westerman schreef over de mythes Is er wel één verklaring voor de ramp?

Verslaggever

Er was eens een ramp. In een vallei, rond een meer, in het westen van Kameroen. Frank Westerman somt de summiere feiten op: „Mens en dier sterven. Massaal. Er is geen schade, geen spoor van verwoesting. Het gebeurde op donderdag 21 augustus 1986. Daarmee heb je zo’n beetje de feiten die niemand betwist.”

Voor alles wat je je vervolgens afvraagt – wat is er gebeurd? – zijn de feiten ontoereikend. Zelfs het dodental ligt niet vast. In zijn boek Stikvallei geeft non-fictieschrijver Westerman de officiële telling van de autoriteiten, met een verdachte precisie: 1746 mensen, 3952 koeien, 82 honden, 3404 kippen, 8 katten, 552 geiten, 337 schapen, 7 paarden, 2 ezels. ‘Nattevingerwerk’, schrijft Westerman, want voordat de telling begon waren er al doden begraven én het inwonertal van de Kameroense Nyos-vallei was een schatting. Op basis van luchtfoto’s. En de inwoners waren nog nomaden ook.

Wetenschap kwam er niet uit

Zelfs cijfers blijken een verhaal. „Ik denk dat er voor iedereen, bewust of onbewust, een verhaal ten grondslag ligt aan hoe je de wereld ziet. Bij ons, de rationele mensen in het Westen, is dat vooral een rationeel wetenschappelijk verhaal, gestoeld op metingen en logica. De natuur is wreed en onverschillig. Kom niet aanzetten met hogere machten of met vragen over waarom of waartoe een ramp zich voltrekt. De meeste wetenschappers passen daarvoor. Terecht.”

Westerse vulkanologen en toxicologen trekken in de eerste dagen na de ramp naar de ‘dodenvallei’ om hun theorieën te bevestigen. Hun oordeel: mens en dier stikten in een wolk kooldioxide, die uit het meer opgestegen was.

Maar vanaf dat punt gaat het mis en wordt het onderzoek naar de oorzaak van de ramp steeds meer een haantjesgevecht tussen twee wetenschappelijke kampen. Het ene kamp – rond de Franse stervulkanoloog Haroun Tazieff – zegt dat de kooldioxidewolk voortkwam uit een vulkanische eruptie. Het andere kamp – rond de IJslandse professor Harald Sigurdsson – denkt dat we met een compleet nieuwe natuurramp te maken hebben. De kooldioxide kwam uit een ondergrondse magmakamer, het meer werd een ‘gigantisch vat mineraalwater’, met kooldioxide dat zich ophoopte totdat het oppervlaktewater het niet meer kon tegenhouden en de ‘kurk’ eraf vloog. Die laatste verklaring kreeg de meeste en de invloedrijkste aanhangers: er staan nu pijpen in het meer om het te ‘ontgassen’.

Stikvallei begint met een zoektocht naar de verklaring. Westerman begint met de wetenschappers. „Natuurlijk geef ik hen het eerste woord. Ik ben ook een rationeel wezen. Als ze mij er voor waarheidsvinding heen hadden gestuurd, had ik mijn oor ook niet als eerste te luisteren gelegd bij de raadgevers van de Fon, de leider van de Kom, zoals het Afrikaanse volk in de Nyos-vallei heet. Maar omdat de wetenschappers niet eensgezind waren, werd de ramp een kweekbed voor verhalen.”

Vervolgens zijn wilde speculaties ontstaan. De lokale bevolking denkt aan een straf van de voorvaderen die in het meer huizen, missiepaters zien er de wraak van Satan in. En dan zijn er ook nog de samenzweringstheorieën over atoomproeven van Israël, of de Fransen, of Amerikaanse spionnen, met medeweten van president Biya van Kameroen.

Mythes hebben ook wel iets

Er was eens een ramp en de verhalen die sinds 1986 zijn ontstaan, zijn het echte onderwerp van Stikvallei. Westerman is een verhalenverteller – tijdens het gesprek in zijn Amsterdamse werkkamer beantwoordt hij vragen ook met verhalen. „Hoe ontstaan verhalen? Ik gebruik in Stikvallei op een gegeven moment de beeldspraak van het fabeldier. Het begint met de vondst van beenderresten, en dan leg je die stukken bij elkaar, het kaakbot bij de schedel, en zo ga je je een voorstelling maken van wat voor dier het was. Of hij behaard of geschubd was, vleesetend of niet, dat is het resultaat van verbeelding. Voor je het weet dicht je zo’n bottenverzameling kwaadaardigheid toe.”

Zo illustreert Westerman het gemak waarmee mensen hun eigen verhaal als superieur opdringen aan de werkelijkheid, terwijl hun waarnemingen onbewust gekleurd zijn. Hetzelfde zag hij gebeuren bij de ramp in de Nyos-vallei, hetzelfde ervoer hij bij het schrijven van zijn boek Ararat, over geloof en kennis. „Ik erken dat er een domein is van het onkenbare, waar je toch iets over wilt zeggen. Maar over dit bovenbevattelijke valt niets zinnigs te zeggen, want het is onkenbaar. Kun je er dan helemaal niets over zeggen? Natuurlijk wel. Je kunt het je immers verbeelden. Maar jouw verbeelding van het onkenbare is niet beter of slechter dan de mijne, iets wat de meeste gelovigen hardnekkig weigeren in te zien.”

Voor alle verhalen in Stikvallei is wel iets te zeggen, voor elk ervan wordt voorstelbaar gemaakt dat mensen erin geloven. ‘We spraken over oude mythes en legenden, die lang geleden allemaal ergens een kiem in de werkelijkheid moeten hebben gehad,’ schrijft Westerman. En zo lees je toch met oprechte verwondering over de oude ziener uit de Nyos-vallei, die een paar dagen voor de ramp zou hebben beweerd dat er ‘nijd broeide in het meer’: ‘Plenty people will die’.

„De mensen daar kennen geen enkele waarde toe aan de Journal of Volcanology and Geothermal Research, waarin de wetenschappers hun verhaal deden. Dát noemen zij fabels. Er was een debatwedstrijd over de oorzaak van de ramp: een natuurlijk gas of een atoomproef. De verdedigers van de atoomproeftheorie wonnen glansrijk. Dat waren de best opgeleide jongens en meiden. Ik vroeg aan één van hen: maar wat vind je zelf? Hij zei: ik zat in het winnende team.”

Ieder maakt z’n eigen verhaal

„Ik ben me ervan bewust dat ik een nieuw verhaal schep over de vallei. Door de drie bestaande verhalen uit elkaar te trekken en achter elkaar te zetten, schep ik een vierde.” Maar veel verder moet de inmenging van de schrijver niet gaan? Nou, Westerman schrijft dan wel non-fictie, maar hij noemt het niet graag zo. „Ik schrijf waargebeurde verhalen, maar is de werkelijkheid kenbaar? Ik vind de term non-fictie waardeloos. Daarom citeer ik met instemming Haraldur Sigurdsson, die geen atheïst genoemd wil worden. Omdat dat zegt wat hij niet is. Noem mij geen non-fictieschrijver, ik ben schrijver.”

De schrijver is ook de bedenker van de benaming ‘stikvallei’. „Ik weet: door iets te hernoemen, herschep je het. Een wisseling van naam is altijd ook een wisseling van gedaante. Dat herscheppen van de werkelijkheid doen we aan de lopende band, dat is cultuur. De naam ‘Lake Nyos’ ontstond pas na de ramp. De bewoners noemden het voor die tijd ‘Lake Lwi’, het goede meer. Erna zijn sommigen het ‘The Angry Lake’ gaan noemen.”

„De werktitel van mijn boek was 21/8, want ik wilde vooraf geen positie innemen. Dit was het meest neutrale wat ik kon bedenken, maar het had toch te veel ‘9/11’-bijklank. Waarom ik toch bij Stikvallei uitkwam? Ik viel voor de verleiding van de klank.”