Neanderthalers scherpten hun vuistbijlen in Den Bosch

Bij de stadswal in Den Bosch zijn botten van dieren en resten van werktuigen uit de laatste ijstijd ontdekt Dat duidt op een neanderthalerkamp Het is de tweede keer dat in Nederland zo’n kamp is ontdekt

Tijdens de persconferentie gistermiddag gaf archeoloog Ronald van Genabeek (l) met vertegenwoordigers van de gemeente uitleg over de vondst. Foto ANP

Redacteur Wetenschap

De stadsarcheologen van de gemeente Den Bosch hadden er al rekening mee gehouden. Bij de bouw van een ondergrondse parkeergarage, vlak naast de oude stadswal, konden ze sporen van vroegere bewoners vinden. Uit de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), de Franse tijd (rond 1800), de Vroege Middeleeuwen misschien. Maar wat er een paar weken geleden bovenkwam, was vele malen ouder: stenen werktuigen en dierenbeenderen uit de laatste ijstijd. Het zijn aanwijzingen dat er tienduizenden jaren geleden Neanderthalers in het Dommeldal hebben gebivakkeerd.

Prehistoricus Alexander Verpoorte van de Universiteit Leiden, die zelf bij de opgraving betrokken is, noemt de vondst „uitzonderlijk en uniek”. Kampen zoals deze, met werktuigen en beenderen, zijn ontzettend zeldzaam. Niet alleen in Nederland, maar ook in Europa. Dit is een unieke kans om het gedrag en de leefomgeving van de Neanderthalers te reconstrueren.

In Nederland zijn wel eerder losse Neanderthalerwerktuigen en resten van oerdieren gevonden, maar zelden lagen die op één plek, zoals in Den Bosch. Alleen in Maastricht, bij de Belvédère-groeve, is een soortgelijk Neanderthalerkamp gevonden, van ongeveer 250.000 jaar oud.

Toevalsvondst

De ontdekking van het kamp is een toevalsvondst. Een zuiginstallatie zoog zand op uit een met water gevulde bouwput, van negen meter diep. Op een zeef bleven werktuigen en beenderen achter. Stadsarcheologen plukten uiteindelijk honderden dierenbeenderen en evenveel vuurstenen werktuigen van de zeef, maar geen botresten van Neanderthalers zelf. Dat is niet vreemd. Neanderthalerbeenderen zijn ontzettend zeldzaam. In Nederland is eerder maar één schedelkapje van een Neanderthaler gevonden. Deze werd een paar jaar geleden van de Noordzeebodem opgevist.

De gemeente ’s-Hertogenbosch maakte de ontdekking gisteren bekend op een persconferentie. Al snel na de vondst heeft de gemeente deskundigen van de Universiteit Leiden ingeschakeld om de vondst nader te onderzoeken. Prehistoricus Verpoorte neemt de stenen werktuigen onder zijn hoede, hoogleraar paleozoölogie Thijs van Kolfschoten ontfermt zich over de beenderen. Samen zullen zij de komende jaren het gedrag van de Bossche Neanderthalers en het landschap waarin zij leefden proberen te reconstrueren.

De onderzoekers vermoeden dat de resten zo’n 40.000 tot 70.000 jaar oud zijn. De Noordzee lag toen droog. In haar plaats lag een uitgestrekte rivierendelta. Aan de rand van dit gebied werd later Den Bosch gesticht. De Neanderthalers hadden hier toegang tot vers water en konden in de rivierbeddingen vuurstenen verzamelen.

Het Neanderthalerkamp was geen permanente nederzetting. Neanderthalers waren rondtrekkende jagers-verzamelaars. „Onder kampement verstaan wij een plek waar Neanderthalers zijn geweest en afval hebben achtergelaten”, legt Verpoorte aan de telefoon uit. Omdat er zo veel steenafval, werktuigen en beenderen bij elkaar zijn gevonden, denkt Verpoorte wel dat de Neanderthalers er een poos hebben rondgehangen. „Niet maandenlang hoor, maar aan een paar dagen tot weken”, zegt hij.

De werktuigen bestaan vooral uit schrapers, messen en schavers. Steenschilfers en -splinters tonen aan dat een Neanderthaler zijn vuistbijl er ter plekke heeft aangescherpt.

Omdat het kamp snel door sediment is bedekt, zijn alle werktuigen (en beenderen) goed bewaard gebleven. Onder het glas ogen de getande en gekerfde mesjes nog vlijmscherp. Verpoorte denkt dat er nog microscopische slijtsporen op te vinden zijn. Hij hoopt daaruit af te leiden waarvoor de werktuigen gebruikt zijn. Plantenstengels snijden, dieren villen of huid schrapen, bijvoorbeeld.

Mammoettand en neushoornkies

Op de persconferentie toonden archeologen kiezen van wolharige neushoorns, geweien van rendieren en het onderkaakje van een jonge mammoet, met de eerste melkkiezen er nog in. „Wat ik zo snel geteld heb, zitten er in ieder geval drie neushoorns, twee mammoeten, zeven rendieren, één poolvos en meerdere bizons, reuzenherten en paarden tussen”, zegt zoogdierexpert Thijs van Kolfschoten.

De grootste botten zijn bij het uitzuigen van de bouwput gebroken. „De mond van de zuiger is ongeveer zo groot”, zegt stadsarcheoloog Ronald van Genabeek. Hij houdt zijn handen twintig centimeter uit elkaar. „Stenen werktuigen en kleine beenderen komen daar gaaf doorheen, maar de slagtand van een mammoet is inderdaad in partjes gehakt.”

In Leiden zijn de gebroken beenderen weer in elkaar gepuzzeld. „Maar sommige breuken waren ouder”, zegt Van Kolfschoten. „Ze lijken gemaakt toen het bot nog vers was.” Dat is een aanwijzing dat de dieren op de plek van het kamp zijn geslacht of bewerkt: mogelijk gaat het hier om een slacht- of jachtkamp. Geologisch onderzoek moet uitwijzen hoe de beenderen er precies terecht zijn gekomen.

De prehistorici gaan ook aan de slag met een precieze datering van het kamp en met botanisch onderzoek. De bouw van de parkeergarage wordt door het extra onderzoek zo’n tien dagen vertraagd.