Neanderthalers in het Dommeldal

In Den Bosch werd een Neanderthalerkamp ontdekt. De bouw van een parkeergarage moet nu even wachten.

De stadsarcheologen van de gemeente Den Bosch hadden er al rekening mee gehouden dat ze bij de bouw van een ondergrondse parkeergarage, vlak naast de oude stadswal, sporen van vroegere bewoners zouden vinden. Misschien uit de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), of de Franse tijd (rond 1800). Maar wat er een paar weken geleden boven water kwam was naar schatting zo’n veertig- tot zeventigduizend jaar oud: stenen werktuigen en dierenbeenderen uit de laatste IJstijd. Aanwijzingen dat er toen Neanderthalers in het Dommeldal hebben gebivakkeerd.

Op een persconferentie van de gemeente ’s-Hertogenbosch toonden archeologen gisteren kiezen van wolharige neushoorns, geweien van rendieren en het onderkaakje van een jonge mammoet, met de eerste melkkiezen er nog in. „Wat ik zo snel geteld heb, zitten er in ieder geval drie neushoorns, twee mammoeten, zeven rendieren, één poolvos en meerdere bizons, reuzenherten en paarden tussen”, zegt de Leidse hoogleraar paleozoölogie Thijs van Kolfschoten.

In Nederland zijn wel eerder losse Neanderthalerwerktuigen en resten van oerdieren gevonden, maar zelden lagen die op één plek, zoals in Den Bosch. Alleen in Maastricht, bij de Belvedère-groeve, is een soortgelijk Neanderthalerkamp gevonden, van ongeveer 250.000 jaar oud.

De Bossche ontdekking is een toevalsvondst. Een installatie zoog zand op uit een met water gevulde bouwput van negen meter diep. Op een zeef bleven werktuigen en beenderen achter. Stadsarcheologen plukten uiteindelijk honderden dierenbeenderen en vuurstenen werktuigen van de zeef, maar geen botresten van Neanderthalers. Niet zo vreemd: die zijn zeer zeldzaam. In Nederland is slechts één schedelkapje van een Neanderthaler gevonden, een paar jaar geleden, op de Noordzeebodem.

Al snel na de vondst heeft de gemeente deskundigen van de Universiteit Leiden ingeschakeld voor nader onderzoek. Prehistoricus Alexander Verpoorte van de Universiteit Leiden neemt de stenen werktuigen onder zijn hoede, Thijs van Kolfschoten ontfermt zich over de beenderen.

De Neanderthalers waren rondtrekkende jagers-verzamelaars. Omdat er zo veel steenafval, werktuigen en beenderen bij elkaar zijn gevonden, denkt Verpoorte dat de Neanderthalers op deze plek „een paar dagen tot weken” hebben rondgehangen.

In die tijd lag de Noordzee droog. In haar plaats lag een uitgestrekte rivierendelta (aan de rand van dit gebied werd later Den Bosch gesticht). De Neanderthalers hadden hier toegang tot vers water en konden in de rivierbeddingen vuurstenen verzamelen. De gevonden werktuigen bestaan vooral uit schrapers, messen en schavers. Steenschilfers en -splinters tonen aan dat een Neanderthaler zijn vuistbijl er ter plekke heeft aangescherpt.

Omdat het kamp snel door sediment is bedekt, zijn alle beenderen en werktuigen goed bewaard gebleven. Onder het glas ogen de getande en gekerfde mesjes nog vlijmscherp. Verpoorte denkt dat er nog microscopische slijtsporen op te vinden zijn. Hij hoopt daaruit af te leiden waarvoor de werktuigen gebruikt zijn: plantenstengels snijden, dieren villen of huid schrapen, bijvoorbeeld.

De grootste botten zijn bij het uitzuigen van de bouwput gebroken. „De mond van de zuiger is ongeveer zo groot”, zegt stadsarcheoloog Ronald van Genabeek: hij houdt zijn handen twintig centimeter uit elkaar. „Stenen werktuigen en kleine beenderen komen daar gaaf doorheen, maar de slagtand van een mammoet is inderdaad in partjes gehakt.”

In Leiden zijn de gebroken beenderen weer in elkaar gepuzzeld. „Maar sommige breuken waren ouder”, zegt Van Kolfschoten. „Ze lijken gemaakt toen het bot nog vers was.” Dat is een aanwijzing dat de dieren mogelijk op de plek van het kamp zijn geslacht of bewerkt.

De prehistorici gaan ook aan de slag met een precieze datering van het kamp en met botanisch onderzoek. De bouw van de parkeergarage wordt door het extra onderzoek zo’n tien dagen vertraagd.