‘Je leert dingen steeds beter begrijpen’

In zijn zaterdagse column weigert Bas Heijne zich te binden aan één vastomlijnde blik op de wereld. „Links of rechts? Ik vind het heel vervelend om gedefinieerd te worden in dat soort simpele termen.” Op 13 december geeft Heijne de jaarlijkse Huizinga-lezing.

Foto Andreas Terlaak

Elke vrijdagochtend verloopt volgens een vast ritueel. Bas Heijne gaat achter zijn schrijftafel zitten, doet een koptelefoon op, kiest een disconummer, zet het volume op knoerthard en drukt op de knop repeat. Begeleid door wat hij ‘werknummers’ noemt – Justin Timberlake is op dit moment favoriet – begint hij aan zijn wekelijkse column voor de krant. De beat, het ritme, geeft hem de concentratie die hij nodig heeft, maar raakt ook iets diepers, raakt zijn onderbewustzijn. Hij moet het gevoel van een roes krijgen, dan borrelen de zinnen vanuit de buikstreek naar boven. „Tijdens het schrijven gebeurt het”, vertelt hij in zijn grachtenappartement in Amsterdam waar hij een indrukwekkende collectie muziek-cd’s heeft staan. Hij heeft een drukke dag achter de rug: eerst in Buitenhof om zijn mening te geven over het Ruslandjaar en de antihomowet en daarna naar Leiden voor een lezing over Couperus, over wie hij onlangs een essay publiceerde en een documentaire maakte. Columns schrijven – hij doet het nu 13 jaar, eerst tweewekelijks, sinds 3 jaar elke week – doet hij onder hoogspanning. Hij legt de lat hoog. „Er is nooit gerieflijkheid, het moet altijd weer opnieuw gebeuren.”

Uw column geeft u veel stress, zegt u. U denkt elk jaar wel een keer, ik stop ermee. Waarom gaat u door? Wat betekent die column naast uw essays, boeken en interviews voor u?

„Het is een genre waar ik enorm veel plezier aan beleef, omdat ik het leuk vind niet alleen met ideeën, maar ook met taal te spelen. Je hebt direct contact met je publiek, het is een soort intellectuele stand-up. Kijk, het is bon ton voor columnisten om te zeggen, ach ja, ik heb niet die illusie dat mijn stukken ooit iets veranderd hebben. Dat is niet mijn inzet, dan moet je geen columns schrijven.”

Heeft u het idee dat het lukt, dat uw stukken iets teweegbrengen? Wordt er gereageerd door bijvoorbeeld politici?

„Jawel, en ze worden ook nog steeds kwaad. ‘Bas Heijne analyseert, maar waar zijn z’n oplossingen?’ En dan denk ik: ja maar er is nooit iets veranderd zonder een bewustzijnsverandering vooraf. Als ik zeg dat ze de aard van de onvrede moeten begrijpen, dat het dieper gaat dan dat mensen plotseling een heel naar gevoel krijgen bij Europa of bij het integratiedebat, er zitten ook diepere emoties achter, dan knikken ze braaf. Maar als je merkt dat het uiteindelijk niet echt doordringt, dan heb je soms wel het gevoel, goh, laat ik eens iets anders gaan doen.”

Hij is geen politiek commentator, Heijne ziet zichzelf eerder als iemand die cultuurkritiek bedrijft. Hij probeert „op een niet voor de hand liggende manier” de achtergrond van kwesties te doorgronden, niet door partij te kiezen, maar door te kijken welke werelden er achter de standpunten verscholen liggen. Onderwerpen als de boerka, de bultrug of Zwarte Piet zijn voor hem lekkernijen.

U heeft een intuïtieve manier van schrijven. Verrast het u wel eens waar u uitkomt?

„Ja, soms gebeurt dat. Een paar jaar geleden had je de kwestie van de dubbele paspoorten. Ik was niet geneigd het met Geert Wilders eens te zijn. Hij gebruikte het om wantrouwen tegenover minderheden te kweken. Met zijn motieven was ik het niet eens. Maar toen ik de argumenten voor mezelf op een rijtje zette, kwam ik tot de conclusie dat de praktijk verkeerd is. Want als Marokko en Turkije mensen dwingen tot in eeuwigheid Turk of Marokkaan te blijven, dan is dat in Nederland tegen onze principes. Burgers moeten dat zelf beslissen. Door erover na te denken, verander je je mening.”

U wilt de vinger op de tijd leggen. Dat is ongeveer het moeilijkste wat er is. Denkt u wel eens achteraf: dat heb ik verkeerd gezien?

Lange stilte. Aarzelende geluiden. „Je probeert eigenlijk iets te doorgronden op het moment dat het gebeurt. Als je dan vijf jaar later terugkijkt, staat het ook weer in een andere context. Neem Pim Fortuyn. Toen hij opkwam zag ik hem als een kanarie in de mijn. Ieder parlement heeft één Pim Fortuyn nodig. Na de moord op Fortuyn ontstond er een cultus, een hysterie en toen was ik aanmerkelijk negatiever. Ik zag dat het een ondermijnende kracht was, die niet wilde hervormen of constructief wilde veranderen. Je leert dingen steeds beter begrijpen. Je nuanceert, je stelt bij. Dat is vaak een geleidelijk proces, het is bijna nooit: oh stom, het is precies het tegenovergestelde van wat ik dacht. Wel: oh, nu begrijp ik het beter.”

Uzelf erop betrappen dat u een ontwikkeling hebt gemist of verkeerd geïnterpreteerd, dat doet u niet?

„Wat voor ontwikkeling zou dat dan moeten zijn?”

Ik herinner me dat u op een gegeven moment, tot veler verbazing, voorspelde dat Wilders al op z’n retour was

„Ik ben daarop aangevallen door de kop die ik erboven had gezet. Het was tijdens of rond die rechtszaak. Ik schreef dat het ideologisch anti-islamdiscours op z’n retour was en dat hij daar geen stemmen meer mee zou trekken. Daar houd ik nog steeds aan vast, alleen, Wilders is ook een ontzettend goeie politicus. Hij heeft waarschijnlijk ook gezien wat niet meer werkt, hij weet wanneer hij het los moet laten. Dat anti-Europaverhaal is er later bij gekomen. Zo heeft hij steeds overleefd. Hij is een kracht in de politiek, doordat hij een vluchtheuvel is voor de ontevredenen. Ongelijk is als je een mening had die zwart was en het blijkt wit te zijn. Maar zo schrijf ik meestal niet.”

U hebt het vaak over identiteit. Zou u een beschrijving kunnen geven van uw persoonlijke identiteit?

„Ikzelf heb juist altijd het gevoel gehad dat ik die helemaal niet had. Ik ben opgegroeid in de polder, onder de rook van Haarlem en Amsterdam, in Zwanenburg en ik heb in mijn herinnering een heel prettige jeugd gehad met fijne ouders. Alleen, terwijl ik opgroeide had ik geen idee wie of wat ik was. Dat schrijf ik in dat essay over Couperus – daar herken ik ook iets in – dat hij een persoonlijkheid was die in een bepaalde omgeving of door zich in anderen in te leven, ontdekte wie hijzelf was. Niet een enorme vaste kern, van waaruit je de hele wereld beziet. Wat bij iemand als Harry Mulisch, denk ik, in vrij sterke mate ontwikkeld was.

„Door dat fluïdeachtige schrijf ik over zoveel verschillende onderwerpen en beoefen ik zoveel verschillende genres. Ik heb mezelf nooit tot één partij of wereldbeeld bekend. Ik ben veel meer onderzoekend en beschouwend van aard, ik kijk met de blik van een romancier naar het menselijk bedrijf. Dat betekent dat je je nooit vastlegt in één vastomlijnde blik op de wereld.

Je merkt dat lezers zich afvragen: waar staat hij nou eigenlijk, waar moeten we hem plaatsen? Links of rechts? Het is geen perverse inslag om ongrijpbaar te willen zijn, maar ik vind het heel vervelend om gedefinieerd te worden in dat soort simpele termen, omdat ik probeer subtieler te schrijven. Vastgepind worden op een trefwoord, daar verzet ik me instinctief tegen.”

Dan ligt engagement met een beweging niet zo voor de hand. Toch stapte u uit de rol van toeschouwer door op te komen voor homorechten in Rusland. Beviel die ervaring?

„Jazeker. Al is het om je eigenwaarde. Dat klinkt egocentrisch, maar je bent dat af en toe aan jezelf verschuldigd. Maar belediging van mijn eigen gevoelsleven is niet het enige waarmee je mij de straat op krijgt. Ik vind het heel vervelend als mensen, minderheden, alleen aanslaan als hun eigen identiteit in het geding is.

„Veel meer dan op die homoseksualiteit voel ik me aangesproken op het misbruiken van realisme om geen enkel gebaar te hoeven maken. Dat stak me het meest. Ik kan de bezwaren tegen een boycot zelf ook wel bedenken, en die staan ook allemaal in m’n stuk, maar vervolgens krijg ik ze toch weer allemaal op m’n bord. Je zag: iedereen verzint argumenten om op z’n luie gat te blijven zitten. Scepsis en nuancering is dan een vorm van passiviteit en cynisme. Daar voel ik me eigenlijk meer door gekwetst, omdat het lijkt op wat ik zelf doe. Dan gooi ik de nuance maar even uit het raam.

„Als je op de barricaden staat, heb ik wel eens geschreven, is het altijd schrikken. Niet om wie er tegenover je staat, maar om wie er naast je staat. Dus ik heb enige schroom, maar wel steeds minder.”