Hoe Hollands en pittoresk is Volendam nog?

Volendam staat bekend als het toppunt van Hollandsheid. Opmerkelijk, vindt Boudewijn Smid, want op basis van de feiten is Volendam verre van typisch Nederlands

Een Volendamse bij de bedstee Foto Spaarnestad

De juffrouw van het openbare toilet op de Volendamse Dijk leunt rokend tegen een muur. „Minder toeristen dit jaar,” klaagt ze, terwijl ze een wolk uitblaast. Inderdaad, het is rustig bij de souvenirshops. Maar crisis of niet, ook dit jaar trok Volendam naar schatting een miljoen buitenlandse toeristen, op zoek naar een pittoresk vissersdorpje of het ‘echte Holland’.

Maar hoe Hollands is Volendam eigenlijk? En hoe pittoresk?

Binnen en buiten de grenzen staat Volendam bekend als het toppunt van Hollandsheid. Opmerkelijk, want op basis van de feiten is Volendam verre van typisch Nederlands.

Zo verdient de Volendamse man 6.000 euro per jaar meer dan de Nederlandse man, de Volendamse vrouw 2.000 euro minder. De WOZ-waarde van hun huis ligt 60.000 boven het landelijk gemiddelde van 247.000 euro. De Volendammer drinkt meer alcohol en gebruikt meer drugs. De geregistreerde criminaliteit ligt veel lager, de sociale cohesie is veel groter. Het percentage laagopgeleiden onder de beroepsbevolking is bijna twee keer zo groot (45 procent versus landelijk 24 procent), de werkloosheid (4 procent) twee keer zo laag. Het aantal Turken en Marokkanen daarentegen is zo gering dat het niet in percentages is uit te drukken.

Voeg daarbij dat het dorp bijna volledig rooms-katholiek is en het stemgedrag sterk afwijkt van het landelijke patroon (70 procent stemt PVV of VVD), dan is Volendam bepaald niet representatief. Niet voor niets antwoordde een Volendamse jongen op mijn vraag waarom hij, anders dan zijn leeftijdgenoten, geen dialect spreekt: „Mijn moeder is een Nederlandse.”

Schilderij als reclamebord

De wortels van het misverstand liggen aan het eind van de negentiende eeuw. Onder invloed van de Romantiek en het opkomend nationalisme zochten intellectuelen en kunstenaars het ‘volkseigene’. Ze stroopten het platteland af op zoek naar onaangetaste beschavingen.

Zo ook de Parijse anarchist, reisschrijver en kunstcriticus Henry Havard. Hij maakte in 1873 een reis langs de steden van de Zuiderzee en schreef er La Hollande pittoresque. Voyage aux villes mortes du Zuiderzee over. Toen hij Volendam aandeed, viel zijn mond open van verbazing. De Fransman noteerde dat de Volendammers, ondanks de korte afstand die hen scheidde van Amsterdam, ‘meer vervreemd zijn van wat er zich in Europa afspeelt dan de bewoners van Nieuw-Caledonië. Voor hen ligt de grens van de wereld bij datgene wat het oog waarneemt.’

Havards boek werd een internationale bestseller en lokte al snel de eerste kunstenaars naar het dorp. Import-Volendammer en hoteleigenaar Leendert Spaander bood hun onderdak. De kunstenaars vergaapten zich aan de haven, de botters met hun magenta zeilen, het zeezicht en de gegroefde visserskoppen. De schilderijen die ze verkochten of terugstuurden naar het thuisfront fungeerden als reclameborden.

Ook Spaander zelf stuurde ansichten met zijn mooie, in klederdracht gestoken dochters naar kunstacademies in Frankrijk, Duitsland en Engeland. Het leverde een nieuwe stroom artistiekelingen op, waardoor Hotel Spaander uitgroeide tot een bloeiende kunstenaarskolonie.

Het gewone toerisme kwam pas echt op gang toen de Amerikanen lucht kregen van Volendam. In de Verenigde Staten woedde aan het eind van de negentiende eeuw de zogenoemde ‘Holland Mania’. Honderden Amerikaanse kunstenaars en kunstacademiestudenten trokken naar Volendam. Anders dan de eerste lichting kunstenaars in Volendam hadden zij vooral oog voor de kanten mutsen, de klompen en de molens. Door deze Amerikaanse kunstenaars is het clichébeeld van Holland ontstaan: klederdracht, klompen, molens én Volendam. In het kielzog van deze kunstenaars kwamen de ‘gewone mensen’. Ondernemende dorpelingen verkochten op de Dijk houtsnijwerk en poppen in klederdracht. De eerste souvenirwinkels verrezen.

Snel na de opkomst van het (massa)toerisme klonken de eerste negatieve geluiden. De bezoeker werd al in de jaren twintig verwelkomd met teksten als ‘Buy your diamonds here!’ en de Volendammers in klederdracht vroegen grof geld voor een foto. Een Amerikaanse krant uit die tijd beschreef hoe de toerist bij aankomst in Volendam hinderlijk gevolgd werd door dorpelingen, die net zolang ‘money, money’ riepen tot ze geld kregen. De Amerikaanse reisschrijver Temple Fielding sprak in zijn Travel Guide to Europe van ‘verpeste dorpelingen’. De Nederlandse regering had vergeefs getracht om de bewoners enige manieren bij te brengen. Ook binnen de landsgrenzen raakten de meningen verdeeld. Aan het begin van de twintigste eeuw werd gesproken van de modeziekte ‘Volendammerij’. Nederland was toch een modern land, waar ‘meer te bewonderen viel dan versteenden roem, Volendammers en Markensche visschers’? In 1910 schreef de toen vijfentwintigjarige ANWB in zijn jubileumboek dat de bezoeker in de beide vissersplaatsen veel ‘onwaars, oneigenlijks en opgedirkts’ kreeg voorgeschoteld. Een ‘stukje Nederland in theatervorm’, heette het.

Dijkhuisjes onder de sloophamer

Alle waarschuwingen ten spijt, de toeristen bleven komen, tot op de dag van vandaag. Terwijl van het dorp dat de kunstenaars rond 1900 zo schilderachtig vonden weinig meer over is. Volendam kent slechts drie rijksmonumenten. In het drie keer kleinere aanpalende Edam zijn dat er 176. Volendammers houden niet van oud, zo is mij verschillende keren toevertrouwd. Op een enkele uitzondering na zijn de oude dijkhuisjes onder de sloophamer gekomen of historiserend herbouwd. In de haven van Volendam ligt nog maar een enkele botter.

Het lijkt de bezoekers niet te deren. Mensen houden blijkbaar hun hang naar authenticiteit, ook al is het ‘echte’ allang verdwenen, en rest alleen een aandenken aan wat eens was; de herinnering aan het dorp met zijn kleurrijke klederdracht, schilderachtige vissersvloot en typische gebruiken. Antropologen noemen dit fenomeen ‘referentiële authenticiteit’. De herinnering blijft levend door een permanent toneelstuk.

In de Volendamse cafés en restaurants wemelt het van de touwen, ankers, katrollen en modelscheepjes; de hoofdmoot van de maaltijden is vis. De visafslag, lange tijd gesloten wegens gebrek aan paling, is in het toeristenseizoen weer open. Diverse initiatieven worden ondernomen om de klederdracht terug in het straatbeeld te krijgen. Zo wordt op de Dijk het oude vissersdorp nagespeeld. Na afloop van de show keren de Volendammers die in de toeristenindustrie werken huiswaarts. Naar hun nieuwbouwhuis waar het echte Volendam op hen wacht.

Deze zomer zat ik op een terras aan de Volendamse haven met naast me een kroostrijke Israëlische familie. Het echtpaar dronk een biertje bij de fish & chips, de kinderen een cola. De vrouw zag me kijken, en vroeg of ik uit Volendam kwam. „Amsterdam”, antwoordde ik. Ze trok een vies gezicht. „Volendam is beautiful! Al die kleine oude huisjes en vissersbootjes.” Gelukkig voor de Volendamse toeristenindustrie bestaat er nog de blik van de toerist die de werkelijkheid manipuleert. Hij zoekt bevestiging van het beeld dat hij vooraf van een plek heeft geconstrueerd. Het toneelspel en de vooraf opgebouwde verwachting geven de bezoekers wat ze willen: een vissersdorp met kleine huisjes en locals in klederdracht. De ervaring leert dat deze formule geld opbrengt. Een bouwvakkersdorp, daar komt immers geen toerist op af.