‘Hier kan ik prinses zijn’

Michaela DePrince uit Sierra Leone vertelt over dansen bij de Junior Company, de nieuwe jongerengroep van Het Nationale Ballet.

Michaela DePrince Foto Merlijn Doomernik

De 18-jarige Amerikaanse danseres Michaela DePrince is een van de twaalf leerlingdansers die deel uitmaken van de nieuwe talentontwikkelingsopleiding de Junior Company van Het Nationale Ballet, die deze week officieel gelanceerd wordt.

Haar persoonlijke geschiedenis heeft Hollywoodpotentie – het boek is al in de maak. Michaela DePrince werd geboren in Sierra Leone en verloor tijdens de burgeroorlog beide ouders en haar favoriete lerares. Het weeshuis waar ze met haar zus werd opgenomen werd kapot geschoten. Een veilige haven was dat sowieso niet: door de depigmentatievlekjes in haar hals en nek (ze heeft de huidziekte vitiligo) werd ze voor een duivelskind gehouden, waardoor ze onderaan de voedselketen terechtkwam. Ze werd verwaarloosd en soms ook mishandeld.

Op vierjarige leeftijd was ze een ziek hoopje mens zonder gevoel van eigenwaarde. Een fotootje van een ballerina in een roze tutu gaf haar hoop op een beter bestaan, een mooiere wereld. „Het had ook een foto van een tennisster kunnen zijn”, lacht ze, „maar godzijdank was het een danseres.”

Min of meer bij toeval werd ze geadopteerd door een wit Amerikaans echtpaar, dat al een hele schaar adoptiekinderen had. Ze ging op balletles, bleek een natuurtalent en de rest is geschiedenis.

Spiegel

Een ommekeer van 180 graden: van een bestaan vol dood en verderf belandde Michaela DePrince in een wereld van sprookjes, schoonheid en perfectie. Waar de spiegel, die ze vroeger haatte („ik droeg vaak coltruien om mijn vlekken te verbergen”) haar partner is geworden in het streven naar zuiverheid en verfijning. „Dat trekt me aan in ballet. Hier kan ik prinses zijn, mooi, met mensen om me heen die willen dat ik slaag. Ballet is een schitterende kunst; je kunt al ontroerd raken door het kleinste gebaar.”

Dat ballet nog altijd een overwegend ‘witte’ kunstvorm is, hindert haar niet, maar ze vindt het wel belangrijk te laten zien dat er ook zwarte balletdansers zijn. In de Verenigde Staten, vertelt ze, heeft ze door haar gespierde bouw minder mogelijkheden. „Bij Amerikaanse gezelschappen zie je vaak dat er één zwarte danseres is, en die is dan ongeveer tien keer lichter dan ik”, zegt ze met gevoel voor overdrijving. „Ballet is daar zo strikt in. Hier niet, althans minder.”

Michaela DePrince danste een seizoen bij het Dance Theatre of Harlem en was gastsoliste bij de South African Mzansi Ballet Theatre en de Dutch Don’t Dance Division. Bij de nieuwe Junior Company, die een paar keer per week met „de grote groep” in de les staat, hoopt ze haar techniek te kunnen verfijnen door goed naar ervaren collega’s te kijken. „Laatst stond ik in de les naast eerste soliste Anna Tsygankova. Die is...” Ze zucht. „Zóóó perfect. Ik dacht: wat doe ik hier eigenlijk? Van zulke mensen moet ik het hebben.”

Dansen, dansen, dansen

Dansen, zegt Ernst Meisner, leer je door te dansen. Vlieguren maken, je toneelangst kwijtraken, dat is belangrijk. Meisner, die vorig jaar bekendheid verwierf met de scootmobielenchoreografie Het Nationale Canta Ballet, is artistiek coördinator van de Junior Company van Het Nationale Ballet.

Een jongerengroep als brug tussen opleiding en beroepspraktijk is geen onbekend fenomeen in de danswereld – NDT2 bestaat al 35 jaar – maar in Amsterdam werd de afgelopen decennia vooral over de ‘aansluitingsproblematiek’ gepráát. Vorig jaar echter hebben Het Nationale Ballet en de Nationale Balletacademie spijkers met koppen geslagen en verzamelde aanstormend danstalent zich in de studio’s aan het Amsterdamse Waterlooplein. Uit die audities is een twaalfkoppig, internationaal samengesteld gezelschap geselecteerd, onder wie Michaela DePrince.

De focus van de Junior Company ligt weliswaar op het stimuleren en begeleiden van Nederlands talent, maar het is volgens coördinator Meisner niet realistisch om ervan uit te gaan dat zo’n groep talenten uitsluitend uit Nederlanders bestaat. „Dat we er nu vier hebben, is al heel mooi. En dan: de danswereld zelf is heel internationaal. Dat is hartstikke leuk, en ook goed: andere nationaliteiten brengen een andere energie mee. Daar leer je van. En een beetje competitie is niet slecht.”

Nathan Brhane (19) is een van die vier Nederlanders in de groep en prijst zich gelukkig. „Als je van de opleiding in een gezelschap komt,” zegt hij, „val je vaak een beetje weg. Je hebt nauwelijks optredens en moet ergens weggestopt in een hoekje rollen leren. Als professional moet je dat kunnen, maar het is zwaar. Bij de Junior Company leer je in korte tijd heel veel en kun je sneller doorstoten naar de top.”

Brhanes beroepsopleiding begon al vroeg, toen hij als wurm van negen elke dag met een grote rugzak („plus knuffel”) per trein van Meppel naar Amsterdam reisde. „Zeven uur opstaan, acht uur ’s avonds weer thuis.” Toen hij naar de middelbare school ging, kwam eerst zijn vader naar Amsterdam. Later volgden zijn moeder en zus. „Nu zijn we gelukkig weer allemaal samen.”

Brhanes verhaal is een voorbeeld van het soort verhalen waarvan het in de danswereld wemelt. Vaak verlaten dansers al in de puberteit huis en haard om hun droom te volgen, desnoods tot aan de andere kant van de wereld.