‘Elk concert een nieuwe schepping’

Paul Badura-Skoda (86) is een van de oudste concertpianisten ter wereld. Hij werkte met vele grote dirigenten en is een pionier van het spelen op oude instrumenten. Zondag treedt hij op in Amsterdam.

Een steeg door, onder een poort door en daar ligt, tien hoog, het appartement van pianist Paul Badura-Skoda (86). „Je hebt hier mooi uitzicht over de Weense binnenstad”, wijst hij. Zijn huis is gevuld met tientallen meters boeken en twee vleugels: een Steinway en een Walter-Hammerflügel met plastic teiltjes water eronder. Een instrument van 200 jaar oud blijft niet zomaar in topconditie.

Voor het eerst sinds zeer lang is Badura-Skoda zondag in Nederland te beluisteren. „Ooit was ik ook bij jullie heel beroemd; ik heb in de jaren vijftig en zestig vaak bij het Concertgebouworkest gesoleerd. Maar nadat artistiek directeur Marius Flothuis was vertrokken, bleef het gedurende een jaar of veertig stil.” Hij grinnikt en neemt een slokje wijn. „Ik zou het liefst nog veel meer concerten geven dan die waarvoor ik nu word gevraagd.”

Fit oud worden volgens Badura-Skoda? Een kwestie van humor, discipline en je hersenen actief houden. „Tot op hoge leeftijd piano spelen kan uitstekend”, zegt hij – en toont zijn nieuwe cd, met precieze, eigenzinnige en helder gespeelde Mozart-sonates op zijn eigen Walter-vleugel. „Muziek is als sport: hoe vaker je het doet, hoe beter het gaat. Het Pianoconcert nr. 20 van Mozart heb ik vijf keer opgenomen. De laatste was de beste. Alleen aan muziek die kracht plus virtuositeit eist, waag ik me niet meer.”

Gymnastiek

Bovendien ervaart Badura-Skoda het als een verplichting te laten horen hoe je ook kunt spelen. „Sommige van de allerberoemdste pianisten van dit moment – ik noem geen namen – reizen de wereld rond om steeds dezelfde stukken identiek uit te voeren. Dat is gymnastiek, geen kunst. De traditie waarin ik wortel, poogt in de muziek zelf een detail- en contrastrijke taal te vinden, en te spelen wat achter en tussen de noten staat. Daarbij zijn intuïtie en spontaniteit cruciaal. Mijn oud-pianodocent Edwin Fischer, dirigenten als Karel Ancerl, George Szell en Wilhelm Furtwängler; aan hen voel ik me verwant.”

In Fischers Musikalische Betrachtungen (1949) staat de essentie van die kunstopvatting het best verwoord, vindt hij. „Parafraserend: in elke uitvoering moet iets scheppends bewaard blijven. Talent en vlijt zijn niet genoeg voor een uitvoerend musicus. Je hele leven moet erop ingesteld zijn om de vertolker van grote gedachten te zijn.”

Badura-Skoda was al vroeg uitermate succesvol. Hij voelde zich al zeer jong aangetrokken tot de piano, zong veel en speelde wijsjes na met één vinger. „Daarna heeft mijn moeder me op les gedaan en mijn lerares me gedwongen één vol uur per dag te studeren. Na twee jaar was zulke ‘dwang’ niet meer nodig en was ik beiden slechts dankbaar.” Als 19-jarige won hij een belangrijk concours en trok de aandacht van dirigenten Furtwängler en Von Karajan. Een internationale carrière en 200 albumopnamen volgden, met een nadruk op Mozart, Beethoven en Schubert.

Geen intellectueel

Badura-Skoda was een van de vroegste pleitbezorgers van het spelen op oude instrumenten. Zelf bezit hij zo’n 20 toetsinstrumenten, waaronder de laatste vleugel van Beethoven. „Maar die creëerden zo’n ruimteprobleem dat ik me begon af te vragen waarom ik niet voor postzegels had gekozen.” Nu staan ze in een museum. „Ik ga er regelmatig heen om ze weer even te bespelen.”

Hoeveel onderzoek hij ook deed, boeken hij ook schreef en gewaardeerd hij ook is als muziekwetenschapper, hij is geen purist, zegt Badura-Skoda. „Toen ik met oude instrumenten begon, dacht men nog darwinistisch: het nieuwste moet het beste zijn; als Beethoven een Bösendorfer had gehad, had hij zijn Broadwood zo op de brandstapel geworpen. Dat is onzin. Ik denk dat Beethoven en Mozart een Steinway een onbespeelbare, zwarte sarcofaag zouden vinden!

„Ik speel zelf veel Mozart op een modern instrument. Waarom niet? Componisten bewerkten hun muziek voortdurend voor andere instrumenten. Het middel achtten ze ondergeschikt aan de muziek. Een goede uitvoering staat of valt bij een goede uitvoerende, de rest is secundair.”

Zijn collega en generatiegenoot, pianist, schrijver en muziekwetenschapper Charles Rosen (1927-2012), noemde intellectueel zijn ooit een handicap voor een musicus. „Ja? Dat vind ik helemaal niet. Maar ik ben ook geen intellectueel. Dat is iemand die het natuurlijke onderdrukt ten bate van het intellect. Een intelligent iemand daarentegen snapt dat hoe meer je weet, hoe vrijer je dat maakt.”

Zijn muren weerspiegelen die instelling. Dáár zijn de vijf planken over christendom („en de andere wereldgodsdiensten hè. En over Martin Luther King. Wat een genie.”), daar de literatuur, daar de trivia (‘Toveren’). Oh, en die kast daar is gewijd aan schaakboeken. „Als ik geen musicus was geweest, dan Grootmeester”, zegt hij. „Maar beide eisen totale toewijding, en ik heb voor de muziek gekozen. Muziek is voedsel voor de ziel. Al schijnen gehandicapte kinderen ook veel baat te hebben bij schaken. Alleen al het neerzetten van de stukken geeft een troostend besef van ordening.” Hij lacht. „Natuurlijk: klassieke muziek is niet ‘in’. Dat is heel erg. Maar alles wat echt van waarde is, is uiteindelijk niet aan een tijd gebonden. Dat heb ik vaak bewezen gezien.”

Paul Badura-Skoda + Musica Amphion, The Birth of the Piano Concerto. 17 nov in Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam. Inl: muziekgebouw.nl