De hoofdschuldige: Rabobank

Dat is dan ook weer opgelost. Minister Dijsselbloem (Financiën, PvdA) riep vorige week het Openbaar Ministerie op serieus te kijken naar vervolging van de individuele, inmiddels voormalige, medewerkers van de Rabobank die zich aan frauduleuze handelingen hebben schuldig gemaakt door manipulatie van de Libor- en Euriborrente. Hoofdofficier van justitie Bloos liet dinsdag in deze krant weten dat zij deze bemoeienis van de minister niet op prijs stelde en zijn oproep helemaal niet nodig had. Dijsselbloem noemde dat interview, via RTL-tv, op zijn beurt „prima”, het gaf hem een „gerust gevoel”.

Het is hoe dan ook een zaak van maatschappelijk belang dat bankfraudeurs worden vervolgd. Het is ook vanzelfsprekend dat het Openbaar Ministerie (OM) interventies van ministers bij dergelijk crimineel gedrag niet nodig heeft om een strafrechtelijk onderzoek te beginnen. Al zal dat nog lang niet eenvoudig zijn, omdat de laakbare handelingen in het buitenland zijn verricht, soms ook door buitenlandse werknemers van de Rabobank.

Gisteren was het de beurt aan de Tweede Kamer om stoom af te blazen. Was de schikking die het OM met de Rabobank heeft getroffen, 70 miljoen euro, niet veel te laag? Volgens Dijsselbloem en minister Opstelten (Justitie, VVD) is het juist een „uitzonderlijk hoge transactie”. Het OM heeft een afweging gemaakt: wachten op de onzekere uitkomst van een jarenlang juridisch proces of een snelle boete. Voor die snelle transactie is iets te zeggen, want er is ook sprake van bijkomend effect: de schandpaal waaraan de Rabobank is genageld.

Met recht plaatsten Kamerleden gisteren ook kanttekeningen bij de rol van De Nederlandsche Bank (DNB). Al staat natuurlijk voorop dat dit niet moet worden verward met de schuldvraag. Voor alles geldt wat Dijsselbloem vorige week aan de Kamer schreef: het gaat hier „om zeer ernstige fraude die het vertrouwen in de financiële sector opnieuw schaadt”. De schuldige is dus de Rabobank, waar het interne toezicht ernstig tekortschoot en waar de raad van bestuur een suffige indruk maakte: hij wist van niets.

Dat neemt niet weg dat van DNB adequater en sneller handelen had mogen worden verwacht, ook al was zij vanaf 2008 in beslag genomen door de financiële crisis. Te passief wachtte DNB de resultaten van buitenlandse onderzoeken af. Inmiddels wordt er in Europa en zonodig apart in Nederland gewerkt aan wetgeving om herhaling te voorkomen. Een andere toezichthouder, de Autoriteit Financiële Markten, krijgt dan meer bevoegdheid. Dat overkomt de wetgever vaker: het spreekwoord over het kalf en de put dat in de herinnering opduikt. Hopelijk verdrinken er straks geen kalveren meer.