Artsen hebben veel moed nodig bij patiënten in doodsnood

illustratie Angel Boligan

Tuitjenhorn

Dat het een indringend gebeuren moet zijn geweest, die avond in Tuitjenhorn, is duidelijk en klinkt voor huisartsen maar al te bekend. Als het lijden ondraaglijk is en het einde nabij, spelen protocollaire kanten van de medische handeling vaak een ondergeschikte rol. Het is de persoon van de huisarts die hier zijn waarde bewijst, bij de patiënt thuis, op een moment dat de stervende bepaalt. De huisarts is hier degene die nog iets kan betekenen, en dat is vooral mededogen, laten voelen dat je er bent. Opmerkelijk, dat in de hetze die is ontstaan, deze kant van de zaak geen aandacht krijgt, terwijl toch iedereen ooit dood gaat. Kennelijk heeft men geen voorstelling van zijn eigen einde en de hulp die men daarbij verwacht. Het zijn de ‘instituten’ – het AMC, de Inspectie en het OM – die bepalen hoe de huisarts dient te handelen. Afwijking van de regels wordt als een misdaad gezien, iets wat aan de kaak moet worden gesteld in het belang van de veiligheid van de gemeenschap. Vergeten wordt dat in een terminale fase behalve de persoon van de huisarts in de zin van ‘er zijn’, ook een kwaliteit als moed een rol van betekenis speelt. Heeft een huisarts de moed om te doen wat in een dergelijke situatie moet gebeuren? Als de dood tastbaar is wat is dan het beste? Moet hij/zij zich dan vooral concentreren op wat mag? Omdat hij/zij anders problemen krijgt of mogelijk ook wroeging? Als ik aan mijn eigen einde denk, dan hoop ik op dat moment iemand naast me te hebben die niet in de eerste plaats aan de regels denkt, maar iemand die de moed heeft mij bij te staan op een manier die we samen goed vinden. Critici zeggen ‘daar spreekt een arts met een Godcomplex’ (NRC, 5 nov.), ‘wat heb je aan een arts die meent zelf de wijsheid in pacht te hebben?’ Dit zijn de mensen die geen ervaringsdeskundige zijn, maar die wel weten hoe het moet. Dit zijn instituten die met een superieure glimlach zeggen ‘wij hebben niets fout gedaan, wij hebben ons aan de regels gehouden’. Deze mensen krijgen daarvoor een lintje aan het eind van hun carrière. Daarmee wil ik niet zeggen dat deze instituten hun werk niet goed doen, maar het is schrijnend dat onze huidige maatschappij, mensen die zich persoonlijk inzetten en daarbij zuivere moed tonen, als criminelen worden weggezet.

Dr Eelke Sietsma