Universiteit: scoren met slecht onderwijs

Lijstjes zeggen: Nederlandse universiteiten komen goed mee met de wereldtop. Leo Prick keek achter de cijfers. Dan blijkt: het academisch onderwijs schiet tekort.

illustratie tjarko van der pol

Acht Nederlandse universiteiten staan in de top-100 van beste academies in de wereld. Dat staat in de Times World University Ranking die vorige maand uitkwam.

Minister Jet Bussemaker zag daarin de bevestiging dat het Nederlands hoger onderwijs tot de wereldtop behoort. Ze voegde eraan toe: „Dit is iets om trots op te zijn, maar tegelijkertijd geen reden achterover te leunen. Verbetering is altijd mogelijk. Onze universiteiten kunnen zich nog beter richten op waar ze goed in zijn.”

Dit laatste nu moeten de universiteiten vooral niet doen. Ze moeten zich veel en veel meer richten op waar ze uitgesproken slecht in zijn. En dat is het onderwijs. Dat is iets waarover we ons oprecht zorgen moeten maken.

De score van een universiteit op de lijst van The Times wordt voor 10 procent bepaald door het internationale karakter van de onderwijs-instelling en de mate waarin men erin slaagt externe financiering aan te trekken. De resterende 90 procent, het overgrote deel van de score dus, wordt in gelijke mate bepaald door drie andere factoren: kwaliteit van het onderwijs, kwaliteit van het onderzoek en de mate waarin werk van de onderzoekers wordt geciteerd in de wetenschappelijke literatuur.

De opstellers van de Times Ranking noemen dit laatste criterium het vlaggenschip van hun werkwijze, omdat dit duidelijk maakt in hoeverre de wetenschappelijke bevindingen van de onderzoekers ook daadwerkelijk invloed hebben op de ontwikkelingen in hun vakgebied.

De acht Nederlandse universiteiten die deel uitmaken van de mondiale top-100 scoren op het criterium citaten gemiddeld 73 (gemeten op een schaal van 0 tot 100). Geen enkel land doet het op dat terrein zo goed als Nederland. De Utrechtse universiteitsbestuurder Frank Miedema, een van de initiatiefnemers van de actiegroep Science in Transition, hekelt de Nederlandse onderzoekscultuur die zich te veel richt op modieuze en sexy onderwerpen en te weinig op de lange termijn. Dit lijkt mij een voor de hand liggende verklaring van onze hoge scores op dit vlaggenschip van de Times.

Wat betreft de kwaliteit van het onderwijs doen de Nederlandse universiteiten het ronduit beroerd. Ze scoren daarop haast allemaal ergens tussen de 30 en 38. Leiden komt er, met 42, net iets boven. Er is maar één duidelijke uitzondering: Delft. Met een score van 56 is de TU Delft de enige Nederlandse instelling voor wetenschappelijk onderwijs waarvan het onderwijs positief wordt beoordeeld.

De opstellers van het onlangs uitgebrachte WRR-rapport Naar een lerende economie wijzen op de opkomst van universiteiten in Azië en Latijns-Amerika en ze voegen daaraan toe: ‘Langzaam begint door te dringen dat goed opgeleide Chinese en Indiase werkenden ook Amerikaanse en Europese hogeropgeleiden kunnen uitdagen in de strijd om kennisintensieve banen.’ De productie van academici in Aziatische landen overtreft ruimschoots de eigen behoefte. Zo produceert China inmiddels acht miljoen afgestudeerden per jaar. Zij komen op dezelfde mondiale arbeidsmarkt als waarop onze Nederlandse afgestudeerden zich moeten zien te bewijzen. En dan gaat het er niet om dat ze les hebben gehad aan een universiteit waar onderzoekers uitblinken in de handigheid om met hun onderzoek aan te haken bij actuele onderwerpen en hoog te scoren met citaten, maar om de kwaliteit van het gevolgde onderwijs.

Terwijl de Nederlandse topuniversiteiten op dat gebied voornamelijk een 3+ scoren, bedragen de scores van de universiteiten uit Azië, die eveneens deel uitmaken van de top-100, gemiddeld een 7.

Nederlandse studenten besteden naar Europese maatstaven relatief weinig tijd, gemiddeld 31 uur per week, aan hun studie en veel tijd aan allerlei baantjes. Dit verleidt de opstellers van het WRR-rapport tot de vaderlijke verzuchting: ‘Bijna geen land ter wereld laat zo veel vrijheid aan studenten als Nederland, maar het is zeer de vraag of we onze kinderen daarmee een dienst bewijzen.’