Column

Simone Aan de andere kant

Ik heb nooit rijk willen zijn. Ook nooit gedroomd van een prinsessenbestaan of een sprookjeshuwelijk. Misschien ben ik wel gedesillusioneerd geboren. Of misschien ben ik wel zo gelukkig geboren dat die dromen niet nodig waren.

Maar dat die welvaartsdroom ons voortdurend probeert te verleiden, blijkt wel uit het recent verschenen tijdschrift Quiet 500, ‘Nu met de armsten uit uw regio.’ Daarin staan niet alleen de verhalen achter de rode cijfers, maar ook zijn enkele luxueuze reclames omgeshopt tot een expliciete middelvinger naar de sloebers. Zoals een plezierjacht met het onderschrift ‘de boot gemist?’ en een snelle auto waaronder: ‘IK WAU DI ook wel’.

De Quiet 500 wordt aangeboden als tegenhanger van de Quote 500, de jaarlijkse rijkenlijst die gisteravond werd gepresenteerd. De redactie accepteert donaties, maar wil liever met de allerrijksten in gesprek. ‘Niet polariseren, maar bruggen slaan.’

Q-day, op pad: ik zoek naar de quiet in ‘Effe bij moeder An’ in de Knollendamstraat, vlakbij de Amsterdamse houthavens, aan de westkant van het IJ. Op donderdagen worden hier pakketten van de voedselbank uitgedeeld. Elke laatste zaterdag van de maand is het soepdag, maar door de week kun je er altijd terecht voor ‘een bakkie troost’. Ik dacht dat ik niet verdrietig was, maar wanneer ik koffie krijg van mater Elma, blijkt dat ik het nodig had. De mensen komen hier vooral voor sociaal kontakt, en de -k maakt het authentieker. Op internet heeft de huiskamer ook een logo: een groot, rood hart en een paars anker. Warmte en veiligheid, bij elkaar geknipt met Word clip art.

Precies parallel aan moeder An, aan de oostkant van Amsterdam aan de Zeeburgerkade, vindt even later de viering van de Quote plaats. Het fijne van zwart is dat het voor zowel sober als sjiek doorgaat. Ik hoef alleen een paar hakken uit mijn tas te toveren om bij The Harbour Club binnen te komen. Op maandag serveren ze kreeft en de stoelen zijn kuipen, zo breed dat je je nooit groot genoeg voelt.

Voor de tweede keer vandaag wordt er voor me ingeschonken, ditmaal in een champagneglas. Ik leun tegen een muur met een popart-schildering waarop Olijfje een hartvormige kus naar Popeye blaast. Het licht is te feestelijk om goed te kunnen zien of hij de zeemanstatoeage van een anker op zijn onderarm heeft staan.

Buiten, langs The Harbour Club, stroomt het IJ onverschillig naar het westen. Het water voelt zich niet aangetrokken tot tuxedos en champagne, maar tot de Noordzee.

Vanaf ‘Effe bij moeder An’ bezien, zijn wij vast een groot, vals licht dat te ver zwemmen is. Voor de quiet liggen dromen aan de overkant. En de boot of brug ontbreekt.

Lees meer over de Quote 500 op pagina 9