Keukentafel

‘Moeten wij niet eens een keukentafel aanschaffen?”, vroeg ik mijn vrouw. Ze keek me in lichte verbijstering aan, want ik sta niet bekend als iemand die zich bij voorkeur in de keuken ophoudt, behalve omstreeks middernacht als ik zo geruisloos mogelijk een hartig, liefst calorierijk worstje uit de koelkast probeer te ontvoeren.

„Hoezo?”, vroeg ze. Ik legde uit dat ze het in de Haagse politiek tegenwoordig steeds maar over keukentafels hebben. Het schijnt bij uitstek de plek te zijn waar je elkaar moet ontmoeten, liefst met een ambtenaar van de gemeente erbij. Zo stelde minister Schippers van Volksgezondheid onlangs voor dat we aan de keukentafel gaan praten over de kosten van de zorg. „Daar moeten we het niet alleen in de politiek over hebben, maar ook thuis”, zei Schippers.

Vermoedelijk bedoelde ze dat we aan die gemeenteambtenaar moeten vertellen hoeveel van onze kinderen en kleinkinderen straks bereid zijn om, na een uitputtende werkdag op kantoor, een extra uurtje in de file te zitten om ons de steunkousen aan te komen trekken. „Of heeft u een buurvrouw?”, zal hij vragen. „Die draagt zelf al steunkousen”, moeten we dan naar waarheid antwoorden, „bovendien heeft ze een hekel aan katten.”

„Diederik heeft het ook al over de keukentafel gehad”, zei ik. In een recente rede in Heerenveen had hij opluchting in Nederland geconstateerd over het politieke akkoord met een deel van de oppositie. „Opluchting in de politiek en in de kranten, maar ook gewoon aan de keukentafel”, sprak Samsom, opgelucht.

„Behalve bij ons”, zei ik, „want wij hebben niet eens plaats voor een keukentafel omdat de poes er moet kunnen rusten én dineren.” Tegelijk vroeg ik me openlijk af of Diederik wel zoveel reden had om opgelucht te zijn, sinds premier Rutte ook namens hem in de Troonrede de verzorgingsstaat had ingeruild voor een uiterst vage participatiesamenleving. Daar gingen de laatste ideologische veren van de PvdA.

„Nee”, riep mijn vrouw, nog opgeluchter dan Diederik, en ze wapperde met de krant, „Spekman heeft daarvan alweer afstand genomen, hij vindt het een ‘onzinnige’ definitie van Rutte en hij zegt dat de PvdA zeer blijft hechten aan de verzorgingsstaat.”

Ik liet het nieuws langzaam indalen, nogal moeizaam, zoals je ook wel ziet gebeuren met doodzieke mensen die van vierhoog door de brandweer in een ambulance worden geholpen.

„Alweer afstand genomen…”, zei ik, „daar heeft die Spekman godbetere twéé maanden voor nodig gehad, terwijl al die tijd aan álle keukentafels van álle PvdA-leden – behalve dus bij ons – steen en been werd geklaagd over deze overval van Rutte. In die periode heb ik Spek weliswaar in allerlei interviewsituaties en andere truitjes aangetroffen, maar nooit afstand horen nemen. Diederik trouwens ook niet. Maar misschien beginnen ze nu met die naderende gemeenteraadsverkiezingen en die rampzalige peilingen toch een beetje zenuwachtig te worden.”

„Maar Samsom heeft, zeggen ze nu, toen wel met zijn wenkbrauwen gefronst”, zei mijn vrouw.

„Er beweegt altijd iets in dat gezicht, dus dat valt niet op”, zei ik. En in één adem voegde ik eraan toe: „Maar ben jij, als PvdA-lid, nu ook opgelucht?”

Ze mompelde iets wat ik niet verstond, maar ik wilde niet aandringen, ook om de onderhandelingen over de aanschaf van een keukentafel niet bij voorbaat te bederven.