Hoe je van al die walnoten af komt

In de herfst lag onze voortuin bezaaid met walnoten. Ik herinner me dat er regelmatig, in de schemering, schichtige volwassenen in keurige regenjassen de tuin in slopen om die noten te rapen. Ik werd daar als kind heel ongemakkelijk van. Ook mijn moeder wist zich geen houding te geven en liep soms naar buiten om een zak noten aan de wildraper te overhandigen. Als die tenminste niet bij het geluid van de opengaande voordeur het hazenpad had gekozen. „Belt u volgende keer maar gewoon even aan” zei ze dan, „we hebben genoeg”.

Van de walnoten die ik van de week van iemand kreeg, maakte ik deze knolselderijtaart met walnotendeeg. Meng daartoe bloem, griesmeel en een theelepel zout en snij daarin de boter fijn. Wrijf de boter door het meel, voeg een scheutje koud water toe en kneed tot een compact deeg. Hak de walnoten fijn en kneed vijftig gram door het deeg. Hou een stukje apart en rol de rest uit. Leg het in een goed ingevette en bebloemde quichevorm en boetseer het stugge deeg tot het regelmatig over bodem en zijkanten verdeeld is. Zet de vorm – in een plastic zak – in de koelkast. Schil de knolselderie, snij ’m in plakken en daarna in kleine dobbelsteentjes. Knijp er wat citroensap over. Snij de ui fijn en fruit ‘m in olijfolie. Wie dat lekker vindt kan ook wat spek meebakken. Roer er een fijngeperste teen knoflook door en voeg de knolselderij en de fijngehakte salie toe. Bak een minuut of 10-15 tot de selderij glazig begint te worden. Zet het vuur uit en roer de yoghurt plus de rest van de noten erdoor. Breng op smaak met zout en peper. Leg bakpapier op de deegbodem en vul ’m met bakbonen. Zet 25 minuten in de oven (180 graden). Verwijder de bonen, doe de selderij erin en maak van het restje deeg een mooi ruitpatroon bovenop. Zet de taart nog een half uur terug in de oven.